BWBR0041776
Geldig vanaf 2019-01-01
Artikel 5
Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019
1. Aan de secretaris-generaal wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor:
a. aangelegenheden op het gebied van de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, zoals nader omschreven in de toelichting bij het koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499);
b. het vaststellen van personeelsreglementen als bedoeld in paragraaf 1.1 van de CAO Rijk en circulaires, met uitzondering van circulaires die naar het oordeel van de secretaris-generaal door een hoofd van dienst of de plaatsvervangend secretaris-generaal moeten worden vastgesteld;
c. het vaststellen van de werkterreinen van de hoofden van dienst;
d. aangelegenheden op het werkterrein van de hoofden van dienst: 1°. ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of;
2°. die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst of de plaatsvervangend secretaris-generaal moeten worden behandeld.
1°. ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of;
2°. die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst of de plaatsvervangend secretaris-generaal moeten worden behandeld.
e. aangelegenheden op het gebied van de Wet open overheid, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst;
f. het uitoefenen van de bevoegdheden van de minister inzake benoeming, goedkeuring van benoemingen, schorsing, ontslag en vergoeding van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen, zelfstandige bestuursorganen en commissies en colleges, voor zover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan de plaatsvervangend secretaris-generaal of een hoofd van dienst;
g. aangelegenheden op het gebied van personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering, voor zover niet vallend onder het werkterrein van een hoofd van dienst;
h. het vaststellen van de formatie en personeelsbudgetten van het kernministerie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat;
i. aangelegenheden op het gebied van de Wet normering topinkomens, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften;
j. aangelegenheden op het gebied van de Wet hergebruik van overheidsinformatie, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst;
k. aangelegenheden op het gebied van de Algemene verordening gegevensbescherming, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst of voor zover niet binnen een redelijke termijn te achterhalen is welk hoofd van dienst verantwoordelijke is;
l. het in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken aanwijzen van functies, die de mogelijkheid bieden de nationale veiligheid te schaden als vertrouwensfunctie;
m. het afnemen van de eed of de belofte bij de indiensttreding van een medewerker bij het kernministerie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Ambtenarenwet 2017;
n. het uitoefenen van bevoegdheden namens de Staat der Nederlanden in zijn hoedanigheid van aandeelhouder of die voortvloeien uit de zeggenschap over rechtspersonen.
2. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, behoren in ieder geval:
a. het vaststellen van de organisatie en formatie van: 1°. het directoraat-generaal Bedrijfsleven en Innovatie;
2°. het directoraat-generaal Klimaat en Energie;
3°. het directoraat-generaal Economie en Digitalisering;
4°. het programmadirectoraat-generaal Groningen en Ondergrond;
4a°. het directoraat-generaal Realisatie Groene Groei i.o.;
5°. de directie Informatievoorziening;
6°. de directie Mens en Organisatie;
7°. de directie Bureau Bestuursraad;
8°. de directie Communicatie;
9°. de directie Europese en Internationale Zaken;
10°. de directie Financieel-Economische Zaken;
11°. de directie Wetgeving en Juridische Zaken;
12°. de Dienst Nationaal Coördinator Groningen.
1°. het directoraat-generaal Bedrijfsleven en Innovatie;
2°. het directoraat-generaal Klimaat en Energie;
3°. het directoraat-generaal Economie en Digitalisering;
4°. het programmadirectoraat-generaal Groningen en Ondergrond;
4a°. het directoraat-generaal Realisatie Groene Groei i.o.;
5°. de directie Informatievoorziening;
6°. de directie Mens en Organisatie;
7°. de directie Bureau Bestuursraad;
8°. de directie Communicatie;
9°. de directie Europese en Internationale Zaken;
10°. de directie Financieel-Economische Zaken;
11°. de directie Wetgeving en Juridische Zaken;
12°. de Dienst Nationaal Coördinator Groningen.
b. het vaststellen van de apparaatskosten van de diensten;
c. het vaststellen van interne circulaires;
d. personeelsaangelegenheden met betrekking tot de hoofden van dienst;
e. het nemen van besluiten en beslissingen en het verrichten van overige handelingen ten aanzien van medewerkers voor wie salarisschaal 15 of hoger van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk geldt, respectievelijk kandidaten voor functies waarvoor die salarisschalen gelden, betreffende: 1°. het aanbieden van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor onbepaalde of bepaalde tijd en het beëindigen van een arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen het met wederzijds goedvinden beëindigen van de arbeidsovereenkomst en het opzeggen van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden in de zin van artikel 7:677, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek;
2°. het toekennen van een hogere salarisschaal;
3°. het verlenen van langdurend verlof ten behoeve van het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie, bedoeld in hoofdstuk 4 van de CAO Rijk;
4°. het opdragen van een andere functie;
5°. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden;
6°. het toekennen van een terugkeergarantie, al dan niet op grond van sociaal flankerend beleid;
7°. het toekennen van financiële tegemoetkomingen op grond van sociaal flankerend beleid;
8°. het toekennen van schadeloosstellingen, vergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen boven een bedrag van € 10.000;
9°. het opleggen van straffen als bedoeld in hoofdstuk 15 van de CAO Rijk;
10°. de mogelijkheid van hoofdstuk 2 van de CAO Rijk om tijdelijke arbeidsovereenkomsten in zeer bijzondere situaties te sluiten, waarbij wordt afgeweken van hetgeen is geregeld in de CAO Rijk.
1°. het aanbieden van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor onbepaalde of bepaalde tijd en het beëindigen van een arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen het met wederzijds goedvinden beëindigen van de arbeidsovereenkomst en het opzeggen van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden in de zin van artikel 7:677, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek;
2°. het toekennen van een hogere salarisschaal;
3°. het verlenen van langdurend verlof ten behoeve van het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie, bedoeld in hoofdstuk 4 van de CAO Rijk;
4°. het opdragen van een andere functie;
5°. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden;
6°. het toekennen van een terugkeergarantie, al dan niet op grond van sociaal flankerend beleid;
7°. het toekennen van financiële tegemoetkomingen op grond van sociaal flankerend beleid;
8°. het toekennen van schadeloosstellingen, vergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen boven een bedrag van € 10.000;
9°. het opleggen van straffen als bedoeld in hoofdstuk 15 van de CAO Rijk;
10°. de mogelijkheid van hoofdstuk 2 van de CAO Rijk om tijdelijke arbeidsovereenkomsten in zeer bijzondere situaties te sluiten, waarbij wordt afgeweken van hetgeen is geregeld in de CAO Rijk.
a. aangelegenheden op het gebied van de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, zoals nader omschreven in de toelichting bij het koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499);
b. het vaststellen van personeelsreglementen als bedoeld in paragraaf 1.1 van de CAO Rijk en circulaires, met uitzondering van circulaires die naar het oordeel van de secretaris-generaal door een hoofd van dienst of de plaatsvervangend secretaris-generaal moeten worden vastgesteld;
c. het vaststellen van de werkterreinen van de hoofden van dienst;
d. aangelegenheden op het werkterrein van de hoofden van dienst: 1°. ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of;
2°. die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst of de plaatsvervangend secretaris-generaal moeten worden behandeld.
1°. ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of;
2°. die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst of de plaatsvervangend secretaris-generaal moeten worden behandeld.
e. aangelegenheden op het gebied van de Wet open overheid, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst;
f. het uitoefenen van de bevoegdheden van de minister inzake benoeming, goedkeuring van benoemingen, schorsing, ontslag en vergoeding van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen, zelfstandige bestuursorganen en commissies en colleges, voor zover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan de plaatsvervangend secretaris-generaal of een hoofd van dienst;
g. aangelegenheden op het gebied van personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering, voor zover niet vallend onder het werkterrein van een hoofd van dienst;
h. het vaststellen van de formatie en personeelsbudgetten van het kernministerie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat;
i. aangelegenheden op het gebied van de Wet normering topinkomens, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften;
j. aangelegenheden op het gebied van de Wet hergebruik van overheidsinformatie, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst;
k. aangelegenheden op het gebied van de Algemene verordening gegevensbescherming, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, voor zover niet behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst of voor zover niet binnen een redelijke termijn te achterhalen is welk hoofd van dienst verantwoordelijke is;
l. het in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken aanwijzen van functies, die de mogelijkheid bieden de nationale veiligheid te schaden als vertrouwensfunctie;
m. het afnemen van de eed of de belofte bij de indiensttreding van een medewerker bij het kernministerie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Ambtenarenwet 2017;
n. het uitoefenen van bevoegdheden namens de Staat der Nederlanden in zijn hoedanigheid van aandeelhouder of die voortvloeien uit de zeggenschap over rechtspersonen.
2. Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, behoren in ieder geval:
a. het vaststellen van de organisatie en formatie van: 1°. het directoraat-generaal Bedrijfsleven en Innovatie;
2°. het directoraat-generaal Klimaat en Energie;
3°. het directoraat-generaal Economie en Digitalisering;
4°. het programmadirectoraat-generaal Groningen en Ondergrond;
4a°. het directoraat-generaal Realisatie Groene Groei i.o.;
5°. de directie Informatievoorziening;
6°. de directie Mens en Organisatie;
7°. de directie Bureau Bestuursraad;
8°. de directie Communicatie;
9°. de directie Europese en Internationale Zaken;
10°. de directie Financieel-Economische Zaken;
11°. de directie Wetgeving en Juridische Zaken;
12°. de Dienst Nationaal Coördinator Groningen.
1°. het directoraat-generaal Bedrijfsleven en Innovatie;
2°. het directoraat-generaal Klimaat en Energie;
3°. het directoraat-generaal Economie en Digitalisering;
4°. het programmadirectoraat-generaal Groningen en Ondergrond;
4a°. het directoraat-generaal Realisatie Groene Groei i.o.;
5°. de directie Informatievoorziening;
6°. de directie Mens en Organisatie;
7°. de directie Bureau Bestuursraad;
8°. de directie Communicatie;
9°. de directie Europese en Internationale Zaken;
10°. de directie Financieel-Economische Zaken;
11°. de directie Wetgeving en Juridische Zaken;
12°. de Dienst Nationaal Coördinator Groningen.
b. het vaststellen van de apparaatskosten van de diensten;
c. het vaststellen van interne circulaires;
d. personeelsaangelegenheden met betrekking tot de hoofden van dienst;
e. het nemen van besluiten en beslissingen en het verrichten van overige handelingen ten aanzien van medewerkers voor wie salarisschaal 15 of hoger van paragraaf 6.3 van de CAO Rijk geldt, respectievelijk kandidaten voor functies waarvoor die salarisschalen gelden, betreffende: 1°. het aanbieden van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor onbepaalde of bepaalde tijd en het beëindigen van een arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen het met wederzijds goedvinden beëindigen van de arbeidsovereenkomst en het opzeggen van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden in de zin van artikel 7:677, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek;
2°. het toekennen van een hogere salarisschaal;
3°. het verlenen van langdurend verlof ten behoeve van het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie, bedoeld in hoofdstuk 4 van de CAO Rijk;
4°. het opdragen van een andere functie;
5°. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden;
6°. het toekennen van een terugkeergarantie, al dan niet op grond van sociaal flankerend beleid;
7°. het toekennen van financiële tegemoetkomingen op grond van sociaal flankerend beleid;
8°. het toekennen van schadeloosstellingen, vergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen boven een bedrag van € 10.000;
9°. het opleggen van straffen als bedoeld in hoofdstuk 15 van de CAO Rijk;
10°. de mogelijkheid van hoofdstuk 2 van de CAO Rijk om tijdelijke arbeidsovereenkomsten in zeer bijzondere situaties te sluiten, waarbij wordt afgeweken van hetgeen is geregeld in de CAO Rijk.
1°. het aanbieden van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor onbepaalde of bepaalde tijd en het beëindigen van een arbeidsovereenkomst, waaronder begrepen het met wederzijds goedvinden beëindigen van de arbeidsovereenkomst en het opzeggen van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden in de zin van artikel 7:677, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek;
2°. het toekennen van een hogere salarisschaal;
3°. het verlenen van langdurend verlof ten behoeve van het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie, bedoeld in hoofdstuk 4 van de CAO Rijk;
4°. het opdragen van een andere functie;
5°. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden;
6°. het toekennen van een terugkeergarantie, al dan niet op grond van sociaal flankerend beleid;
7°. het toekennen van financiële tegemoetkomingen op grond van sociaal flankerend beleid;
8°. het toekennen van schadeloosstellingen, vergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen boven een bedrag van € 10.000;
9°. het opleggen van straffen als bedoeld in hoofdstuk 15 van de CAO Rijk;
10°. de mogelijkheid van hoofdstuk 2 van de CAO Rijk om tijdelijke arbeidsovereenkomsten in zeer bijzondere situaties te sluiten, waarbij wordt afgeweken van hetgeen is geregeld in de CAO Rijk.