BWBR0040072
Geldig vanaf 2021-01-15
Artikel 20
Subsidieregeling Demonstratie Klimaattechnologieën en – innovaties in transport
1. Als subsidiabele kosten komen uitsluitend in aanmerking:
a. bij een project cofinanciering: de kosten als bedoeld in artikel 56, vijfde lid, 56 ter, tweede lid of 56 quater, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
b. bij een project innovatiecluster: de kosten als bedoeld in artikel 27, vijfde en achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
c. bij een project experimentele ontwikkeling: de kosten als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
d. bij een project haalbaarheidsstudie: de kosten als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsordening;
e. bij een project proeftuin inhoudende experimentele ontwikkeling: de kosten als bedoeld in de artikelen 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening
f. bij een project proeftuin mede inhoudende een investering lokale infrastructuurvoorzieningen: de kosten als bedoeld in artikel 56, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
g. bij een project proeftuin mede inhoudende een investering milieubescherming: de kosten als bedoeld in artikel 36, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
h. bij een project proeftuin mede inhoudende steun voor havens: de kosten als bedoeld in artikel 56 ter, tweede lid, of 56 quater, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
i. bij een project learning by using inhoudende experimentele ontwikkeling: de kosten als bedoeld in de artikelen 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
j. bij een project learning by using mede inhoudende een investering in lokale infrastructuurvoorzieningen: de kosten als bedoeld in artikel 56, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
k. bij een project learning by using inhoudende een investering milieubescherming: de kosten als bedoeld in artikel 36, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
2. Als standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven kunnen worden gehanteerd:
a. een berekening op basis van integrale kostensystematiek;
b. een berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of
c. een forfaitair vastgesteld uurtarief voor loonkosten.
3. De subsidiabele kosten worden gestaafd met bewijsstukken die duidelijk, gespecificeerd en actueel zijn, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
a. bij een project cofinanciering: de kosten als bedoeld in artikel 56, vijfde lid, 56 ter, tweede lid of 56 quater, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
b. bij een project innovatiecluster: de kosten als bedoeld in artikel 27, vijfde en achtste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
c. bij een project experimentele ontwikkeling: de kosten als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
d. bij een project haalbaarheidsstudie: de kosten als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsordening;
e. bij een project proeftuin inhoudende experimentele ontwikkeling: de kosten als bedoeld in de artikelen 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening
f. bij een project proeftuin mede inhoudende een investering lokale infrastructuurvoorzieningen: de kosten als bedoeld in artikel 56, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
g. bij een project proeftuin mede inhoudende een investering milieubescherming: de kosten als bedoeld in artikel 36, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
h. bij een project proeftuin mede inhoudende steun voor havens: de kosten als bedoeld in artikel 56 ter, tweede lid, of 56 quater, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
i. bij een project learning by using inhoudende experimentele ontwikkeling: de kosten als bedoeld in de artikelen 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
j. bij een project learning by using mede inhoudende een investering in lokale infrastructuurvoorzieningen: de kosten als bedoeld in artikel 56, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
k. bij een project learning by using inhoudende een investering milieubescherming: de kosten als bedoeld in artikel 36, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
2. Als standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven kunnen worden gehanteerd:
a. een berekening op basis van integrale kostensystematiek;
b. een berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of
c. een forfaitair vastgesteld uurtarief voor loonkosten.
3. De subsidiabele kosten worden gestaafd met bewijsstukken die duidelijk, gespecificeerd en actueel zijn, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.