BWBR0039974
Geldig vanaf 1996-01-19
Artikel 33
Inkomstenregeling militairen
1. In dit artikel wordt verstaan onder diensttijd en diensttijdgratificatie:
a. als diensttijd voor de toekenning van een diensttijdgratificatie geldt de tijd in werkelijke dienst;
b. als diensttijd voor de toekenning van een diensttijdgratificatie geldt mede de tijd; 1°. doorgebracht als reservist in werkelijk dienst;
2°. vóór 1 januari 1997 doorgebracht als dienstplichtige in werkelijke dienst;
3°. in militaire dienst bij het voormalig KNIL, troepen in Suriname (tot 25 november 1975), de Nederlandse Antillen en Aruba;
1°. doorgebracht als reservist in werkelijk dienst;
2°. vóór 1 januari 1997 doorgebracht als dienstplichtige in werkelijke dienst;
3°. in militaire dienst bij het voormalig KNIL, troepen in Suriname (tot 25 november 1975), de Nederlandse Antillen en Aruba;
c. voor de berekening van de diensttijd bedoeld onder a en b telt dubbel mee de tijd bedoeld in artikel 34 alsmede de dubbel tellende pensioengeldige tijd die tot 1 januari 2019 dubbel werd geteld op grond van de Regeling dubbeltelling pensioengeldige tijd of op grond van vroegere militaire pensioenwetten;
d. de in onderdeel c genoemde diensttijd wordt voor de vaststelling van de diensttijd voor het 12½ jaar en 25 jaar ten hoogste zes, onderscheidenlijk negen jaar dubbel geteld;
e. als diensttijd voor de toekenning van een diensttijdgratificatie geldt mede de tijd; 1°. doorgebracht als overheidswerknemer in de zin van artikel 2 lid 1,2 en 6 Wet Privatisering ABP;
2°. doorgebracht in een burgerlijke betrekking bij de NV Nederlandse Spoorwegen tot 1 april 1993 en de voormalige NV ‘Artillerie-Inrichtingen’;
3°. doorgebracht in burgerlijke dienst bij de overheid in de landen Suriname (tot 25 november 1975), de Nederlandse Antillen en Aruba, bij de voormalige gouvernementen van Suriname, Curaçao en Nieuw-Guinea en (tot 27 december 1949) bij de voormalige Indische Pensioenfondsen;
4°. doorgebracht in dienst bij het niet-openbaar onderwijs in de onder sub 3 genoemde landen en voormalige overzeese rijksdelen, voor zover zulks de ambtenaar onder de werkingssfeer van een overheidspensioenregeling bracht of zou hebben gebracht indien hij in vaste dienst was geweest;
5°. tot en met 31 december 1954 in dienst van de Republiek Indonesië, voor zover die tijd door de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië wordt bestreken;
6°. waarover rechtsherstel is verleend;
1°. doorgebracht als overheidswerknemer in de zin van artikel 2 lid 1,2 en 6 Wet Privatisering ABP;
2°. doorgebracht in een burgerlijke betrekking bij de NV Nederlandse Spoorwegen tot 1 april 1993 en de voormalige NV ‘Artillerie-Inrichtingen’;
3°. doorgebracht in burgerlijke dienst bij de overheid in de landen Suriname (tot 25 november 1975), de Nederlandse Antillen en Aruba, bij de voormalige gouvernementen van Suriname, Curaçao en Nieuw-Guinea en (tot 27 december 1949) bij de voormalige Indische Pensioenfondsen;
4°. doorgebracht in dienst bij het niet-openbaar onderwijs in de onder sub 3 genoemde landen en voormalige overzeese rijksdelen, voor zover zulks de ambtenaar onder de werkingssfeer van een overheidspensioenregeling bracht of zou hebben gebracht indien hij in vaste dienst was geweest;
5°. tot en met 31 december 1954 in dienst van de Republiek Indonesië, voor zover die tijd door de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië wordt bestreken;
6°. waarover rechtsherstel is verleend;
f. als diensttijd in de zin van deze regeling wordt niet aangemerkt de diensttijd die niet in actieve dienst is doorgebracht wegens het bekleden van een politiek ambt;
g. voorts komt als diensttijd niet in aanmerking de diensttijd die, zonder dat werkzaamheden zijn verricht, is doorgebracht buiten het genot van inkomsten uit de dienstbetrekking, behoudens voor zoveel het tijd betreft, gedurende welke de militair mede dan wel overwegend in het algemeen belang buitengewoon verlof heeft genoten;
h. evenmin wordt als diensttijd aangemerkt fictieve diensttijd, onverminderd het gestelde in onderdeel e, onder sub 6.
2. De militair heeft aanspraak op een diensttijdgratificatie op de dag waarop hij een naar het oordeel van de Minister eervolle diensttijd volbrengt van 12½, 25 en 35 jaren.
3. De diensttijdgratificatie bedraagt bij een naar het oordeel van de Minister eervolle diensttijd van:
a. 12½ jaren: 25%;
b. 25 jaren: 75%;
c. 35 jaren: 100%,
van het salaris, in voorkomend geval vermeerderd met de inkomsten, bedoeld in artikel 23a van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair per maand aanspraak heeft. Het bedrag van de diensttijdgratificatie wordt naar boven afgerond op een veelvoud van 2,50.
4. De militair heeft aanspraak op een proportionele diensttijdgratificatie op de dag dat hem ontslag is verleend met toepassing van artikel 39, tweede lid, onder a, b, d, e ten 2e, f, g of i, onderscheidenlijk het zesde lid, onder a, artikel 39a van het Algemeen militair ambtenarenreglement, indien hij zonder dat ontslag binnen een periode van:
a. tweeëneenhalf jaar na de datum van ingang van dat ontslag aanspraak zou hebben gehad op een diensttijdgratificatie ingevolge het derde lid, onder a, dan wel binnen een periode van:
b. vijf jaar na de datum van ingang van dat ontslag aanspraak zou hebben gehad op een diensttijdgratificatie ingevolge het derde lid, onder b of c.
5. De nagelaten betrekkingen van een militair, bedoeld in artikel 118a van het AMAR, hebben, overeenkomstig de in dat artikel genoemde volgorde van rechthebbenden, aanspraak op een proportionele diensttijdgratificatie bij overlijden van de militair, indien deze is overleden binnen een periode van:
a. tweeënhalf jaar vóór de datum waarop hij aanspraak zou hebben gehad op een diensttijdgratificatie ingevolge het derde lid, onder a, dan wel binnen een periode van:
b. vijf jaar vóór de datum waarop hij aanspraak zou hebben gehad op een diensttijdgratificatie ingevolge het derde lid, onder b of c.
6. De in het vierde en vijfde lid bedoelde proportionele diensttijdgratificatie bedraagt een evenredig deel van de diensttijdgratificatie ingevolge het derde lid, gemeten naar de verhouding tussen de daadwerkelijk volbrachte eervolle diensttijd in jaren en maanden en de in het derde lid genoemde diensttijd in jaren en maanden.
7. De loonheffing en inhoudingen, bedoeld in paragraaf 5 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, die in voorkomend geval zijn verschuldigd over een in het derde lid, onder c, bedoelde diensttijdgratificatie wegens 35 jaar trouwe dienst of over een in het vierde lid, onder b, of in het vijfde lid, onder b, bedoelde proportionele diensttijdgratificatie die is afgeleid van een diensttijdgratificatie wegens 25 jaar of 35 jaar trouwe dienst komen voor rekening van Defensie.
8. Indien de militair op de datum van de aanspraak op diensttijdgratificatie buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid geniet, worden de in het derde lid bedoelde salaris en overige inkomsten berekend volgens een breuk, waarin de noemer bestaat uit het in het derde lid bedoelde aantal jaren en maanden en de teller bestaat uit een som van:
a. het aantal jaren en maanden dat geen buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid is genoten vermenigvuldigd met het salaris en de overige inkomsten die in dat geval op bedoelde datum zouden hebben gegolden en,
b. het aantal jaren en maanden dat wel buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid is genoten vermenigvuldigd met het op bedoelde datum werkelijk geldende salaris en overige inkomsten.
a. als diensttijd voor de toekenning van een diensttijdgratificatie geldt de tijd in werkelijke dienst;
b. als diensttijd voor de toekenning van een diensttijdgratificatie geldt mede de tijd; 1°. doorgebracht als reservist in werkelijk dienst;
2°. vóór 1 januari 1997 doorgebracht als dienstplichtige in werkelijke dienst;
3°. in militaire dienst bij het voormalig KNIL, troepen in Suriname (tot 25 november 1975), de Nederlandse Antillen en Aruba;
1°. doorgebracht als reservist in werkelijk dienst;
2°. vóór 1 januari 1997 doorgebracht als dienstplichtige in werkelijke dienst;
3°. in militaire dienst bij het voormalig KNIL, troepen in Suriname (tot 25 november 1975), de Nederlandse Antillen en Aruba;
c. voor de berekening van de diensttijd bedoeld onder a en b telt dubbel mee de tijd bedoeld in artikel 34 alsmede de dubbel tellende pensioengeldige tijd die tot 1 januari 2019 dubbel werd geteld op grond van de Regeling dubbeltelling pensioengeldige tijd of op grond van vroegere militaire pensioenwetten;
d. de in onderdeel c genoemde diensttijd wordt voor de vaststelling van de diensttijd voor het 12½ jaar en 25 jaar ten hoogste zes, onderscheidenlijk negen jaar dubbel geteld;
e. als diensttijd voor de toekenning van een diensttijdgratificatie geldt mede de tijd; 1°. doorgebracht als overheidswerknemer in de zin van artikel 2 lid 1,2 en 6 Wet Privatisering ABP;
2°. doorgebracht in een burgerlijke betrekking bij de NV Nederlandse Spoorwegen tot 1 april 1993 en de voormalige NV ‘Artillerie-Inrichtingen’;
3°. doorgebracht in burgerlijke dienst bij de overheid in de landen Suriname (tot 25 november 1975), de Nederlandse Antillen en Aruba, bij de voormalige gouvernementen van Suriname, Curaçao en Nieuw-Guinea en (tot 27 december 1949) bij de voormalige Indische Pensioenfondsen;
4°. doorgebracht in dienst bij het niet-openbaar onderwijs in de onder sub 3 genoemde landen en voormalige overzeese rijksdelen, voor zover zulks de ambtenaar onder de werkingssfeer van een overheidspensioenregeling bracht of zou hebben gebracht indien hij in vaste dienst was geweest;
5°. tot en met 31 december 1954 in dienst van de Republiek Indonesië, voor zover die tijd door de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië wordt bestreken;
6°. waarover rechtsherstel is verleend;
1°. doorgebracht als overheidswerknemer in de zin van artikel 2 lid 1,2 en 6 Wet Privatisering ABP;
2°. doorgebracht in een burgerlijke betrekking bij de NV Nederlandse Spoorwegen tot 1 april 1993 en de voormalige NV ‘Artillerie-Inrichtingen’;
3°. doorgebracht in burgerlijke dienst bij de overheid in de landen Suriname (tot 25 november 1975), de Nederlandse Antillen en Aruba, bij de voormalige gouvernementen van Suriname, Curaçao en Nieuw-Guinea en (tot 27 december 1949) bij de voormalige Indische Pensioenfondsen;
4°. doorgebracht in dienst bij het niet-openbaar onderwijs in de onder sub 3 genoemde landen en voormalige overzeese rijksdelen, voor zover zulks de ambtenaar onder de werkingssfeer van een overheidspensioenregeling bracht of zou hebben gebracht indien hij in vaste dienst was geweest;
5°. tot en met 31 december 1954 in dienst van de Republiek Indonesië, voor zover die tijd door de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië wordt bestreken;
6°. waarover rechtsherstel is verleend;
f. als diensttijd in de zin van deze regeling wordt niet aangemerkt de diensttijd die niet in actieve dienst is doorgebracht wegens het bekleden van een politiek ambt;
g. voorts komt als diensttijd niet in aanmerking de diensttijd die, zonder dat werkzaamheden zijn verricht, is doorgebracht buiten het genot van inkomsten uit de dienstbetrekking, behoudens voor zoveel het tijd betreft, gedurende welke de militair mede dan wel overwegend in het algemeen belang buitengewoon verlof heeft genoten;
h. evenmin wordt als diensttijd aangemerkt fictieve diensttijd, onverminderd het gestelde in onderdeel e, onder sub 6.
2. De militair heeft aanspraak op een diensttijdgratificatie op de dag waarop hij een naar het oordeel van de Minister eervolle diensttijd volbrengt van 12½, 25 en 35 jaren.
3. De diensttijdgratificatie bedraagt bij een naar het oordeel van de Minister eervolle diensttijd van:
a. 12½ jaren: 25%;
b. 25 jaren: 75%;
c. 35 jaren: 100%,
van het salaris, in voorkomend geval vermeerderd met de inkomsten, bedoeld in artikel 23a van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair per maand aanspraak heeft. Het bedrag van de diensttijdgratificatie wordt naar boven afgerond op een veelvoud van 2,50.
4. De militair heeft aanspraak op een proportionele diensttijdgratificatie op de dag dat hem ontslag is verleend met toepassing van artikel 39, tweede lid, onder a, b, d, e ten 2e, f, g of i, onderscheidenlijk het zesde lid, onder a, artikel 39a van het Algemeen militair ambtenarenreglement, indien hij zonder dat ontslag binnen een periode van:
a. tweeëneenhalf jaar na de datum van ingang van dat ontslag aanspraak zou hebben gehad op een diensttijdgratificatie ingevolge het derde lid, onder a, dan wel binnen een periode van:
b. vijf jaar na de datum van ingang van dat ontslag aanspraak zou hebben gehad op een diensttijdgratificatie ingevolge het derde lid, onder b of c.
5. De nagelaten betrekkingen van een militair, bedoeld in artikel 118a van het AMAR, hebben, overeenkomstig de in dat artikel genoemde volgorde van rechthebbenden, aanspraak op een proportionele diensttijdgratificatie bij overlijden van de militair, indien deze is overleden binnen een periode van:
a. tweeënhalf jaar vóór de datum waarop hij aanspraak zou hebben gehad op een diensttijdgratificatie ingevolge het derde lid, onder a, dan wel binnen een periode van:
b. vijf jaar vóór de datum waarop hij aanspraak zou hebben gehad op een diensttijdgratificatie ingevolge het derde lid, onder b of c.
6. De in het vierde en vijfde lid bedoelde proportionele diensttijdgratificatie bedraagt een evenredig deel van de diensttijdgratificatie ingevolge het derde lid, gemeten naar de verhouding tussen de daadwerkelijk volbrachte eervolle diensttijd in jaren en maanden en de in het derde lid genoemde diensttijd in jaren en maanden.
7. De loonheffing en inhoudingen, bedoeld in paragraaf 5 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, die in voorkomend geval zijn verschuldigd over een in het derde lid, onder c, bedoelde diensttijdgratificatie wegens 35 jaar trouwe dienst of over een in het vierde lid, onder b, of in het vijfde lid, onder b, bedoelde proportionele diensttijdgratificatie die is afgeleid van een diensttijdgratificatie wegens 25 jaar of 35 jaar trouwe dienst komen voor rekening van Defensie.
8. Indien de militair op de datum van de aanspraak op diensttijdgratificatie buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid geniet, worden de in het derde lid bedoelde salaris en overige inkomsten berekend volgens een breuk, waarin de noemer bestaat uit het in het derde lid bedoelde aantal jaren en maanden en de teller bestaat uit een som van:
a. het aantal jaren en maanden dat geen buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid is genoten vermenigvuldigd met het salaris en de overige inkomsten die in dat geval op bedoelde datum zouden hebben gegolden en,
b. het aantal jaren en maanden dat wel buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid is genoten vermenigvuldigd met het op bedoelde datum werkelijk geldende salaris en overige inkomsten.