BWBR0038379
Geldig vanaf 29-07-2016
Artikel 7
Besluit mandaat en machtiging Autoriteit Persoonsgegevens
1. Aan de in de bijlage bij dit besluit genoemde functionarissen, werkzaam bij het secretariaat van de Autoriteit Persoonsgegevens, wordt mandaat en machtiging verleend om namens de Autoriteit Persoonsgegevens besluiten te nemen of andere handelingen te verrichten ten aanzien van de aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van de afdeling waarin zij werkzaam zijn.
2. De bedoelde functionarissen hanteren de aan hen, krachtens het verleende mandaat of de verleende machtiging, toekomende bevoegdheid voor zover dat past in de normale taakuitoefening van de functionaris.
3. De mandaat- en machtigingsverlening als bedoeld in het eerste lid heeft geen betrekking op:
a. aangelegenheden, die naar aard of inhoud een zodanig gewicht hebben dat zij door de Autoriteit Persoonsgegevens dienen te worden afgedaan, zoals bedoeld in artikel 6 dan wel door de voorzitter of één van de andere collegeleden van de Autoriteit Persoonsgegevens in mandaat op basis van de ‘Regeling taakverdeling en onderlinge vervanging Autoriteit Persoonsgegevens’ dienen te worden afgedaan;
b. richtinggevende beslissingen/zienswijzen over de inhoud van regelgeving, met name nieuwe interpretatie van normen;
c. besluiten betreffende het opleggen van een bestuurlijke sanctie;
d. besluiten op bezwaar naar aanleiding van een besluit genomen door de Autoriteit Persoonsgegevens of in mandaat genomen door de voorzitter, zijn plaatsvervanger dan wel door één van de andere collegeleden van de Autoriteit Persoonsgegevens;
e. het indienen van hoger beroepschriften naar aanleiding van een besluit namens de Autoriteit Persoonsgegevens.
2. De bedoelde functionarissen hanteren de aan hen, krachtens het verleende mandaat of de verleende machtiging, toekomende bevoegdheid voor zover dat past in de normale taakuitoefening van de functionaris.
3. De mandaat- en machtigingsverlening als bedoeld in het eerste lid heeft geen betrekking op:
a. aangelegenheden, die naar aard of inhoud een zodanig gewicht hebben dat zij door de Autoriteit Persoonsgegevens dienen te worden afgedaan, zoals bedoeld in artikel 6 dan wel door de voorzitter of één van de andere collegeleden van de Autoriteit Persoonsgegevens in mandaat op basis van de ‘Regeling taakverdeling en onderlinge vervanging Autoriteit Persoonsgegevens’ dienen te worden afgedaan;
b. richtinggevende beslissingen/zienswijzen over de inhoud van regelgeving, met name nieuwe interpretatie van normen;
c. besluiten betreffende het opleggen van een bestuurlijke sanctie;
d. besluiten op bezwaar naar aanleiding van een besluit genomen door de Autoriteit Persoonsgegevens of in mandaat genomen door de voorzitter, zijn plaatsvervanger dan wel door één van de andere collegeleden van de Autoriteit Persoonsgegevens;
e. het indienen van hoger beroepschriften naar aanleiding van een besluit namens de Autoriteit Persoonsgegevens.
- Citeren als
- Art. 7
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0038379
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl