BWBR0036443
Geldig vanaf 2015-07-01
Artikel 116
Wet raadgevend referendum
1. In afwijking van artikel 29, eerste lid, kan iedere kiesgerechtigde ingezetene van een openbaar lichaam bij de gezaghebber een verzoek tot het houden van een referendum indienen. Het verzoek dient binnen de termijn van vier weken, bedoeld in artikel 29, eerste lid, door de gezaghebber te zijn ontvangen.
2. De lijst, bedoeld in artikel 29, derde en vierde lid, wordt kosteloos beschikbaar gesteld door de gezaghebber. Het centraal stembureau draagt er zorg voor dat de gezaghebbers tijdig de beschikking hebben over de lijsten.
3. Na het verstrijken van de termijn van vier weken, bedoeld in artikel 29, eerste lid, stelt de gezaghebber, indien er verzoeken zijn ingediend, vast:
a. het totaal aantal in het openbaar lichaam ingediende verzoeken;
b. het aantal geldige verzoeken;
c. het aantal ongeldige verzoeken.
Voor de vaststelling wordt gebruik gemaakt van een formulier waarvoor bij ministeriële regeling een model wordt vastgesteld.
4. Onverminderd artikel 33, derde lid, zijn in een openbaar lichaam tevens ongeldig de verzoeken die bij de gezaghebber zijn ingediend door personen die niet zijn ingeschreven in de administratie van het betreffende openbaar lichaam.
5. De gezaghebber draagt er zorg voor dat de opgave van de door hem vastgestelde aantallen verzoeken en de lijsten met de verzoeken langs elektronische weg uiterlijk de tweede dag na afloop van de termijn van vier weken, bedoeld in artikel 29, ter kennis worden gebracht van de voorzitter van het centraal stembureau. De voorzitter van het centraal stembureau betrekt de opgave en de lijsten bij de vaststelling, bedoeld in artikel 33, tweede lid.
6. Na de elektronische in kennisstelling doet de gezaghebber de lijsten met verzoeken in een pak. Artikel 36is van toepassing. De gezaghebber draagt er zorg voor dat het pak, op verzoek van de voorzitter van het centraal stembureau of de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State per post zo spoedig mogelijk wordt overgebracht naar het centraal stembureau, respectievelijk de Afdeling.
7. Voor de toepassing in een openbaar lichaam wordt in de artikelen 29, zesde lid, 33, derde lid, onder a en onder b, artikel 35, en 39voor «voorzitter van het centraal stembureau» of «voorzitter» telkens gelezen: gezaghebber.
2. De lijst, bedoeld in artikel 29, derde en vierde lid, wordt kosteloos beschikbaar gesteld door de gezaghebber. Het centraal stembureau draagt er zorg voor dat de gezaghebbers tijdig de beschikking hebben over de lijsten.
3. Na het verstrijken van de termijn van vier weken, bedoeld in artikel 29, eerste lid, stelt de gezaghebber, indien er verzoeken zijn ingediend, vast:
a. het totaal aantal in het openbaar lichaam ingediende verzoeken;
b. het aantal geldige verzoeken;
c. het aantal ongeldige verzoeken.
Voor de vaststelling wordt gebruik gemaakt van een formulier waarvoor bij ministeriële regeling een model wordt vastgesteld.
4. Onverminderd artikel 33, derde lid, zijn in een openbaar lichaam tevens ongeldig de verzoeken die bij de gezaghebber zijn ingediend door personen die niet zijn ingeschreven in de administratie van het betreffende openbaar lichaam.
5. De gezaghebber draagt er zorg voor dat de opgave van de door hem vastgestelde aantallen verzoeken en de lijsten met de verzoeken langs elektronische weg uiterlijk de tweede dag na afloop van de termijn van vier weken, bedoeld in artikel 29, ter kennis worden gebracht van de voorzitter van het centraal stembureau. De voorzitter van het centraal stembureau betrekt de opgave en de lijsten bij de vaststelling, bedoeld in artikel 33, tweede lid.
6. Na de elektronische in kennisstelling doet de gezaghebber de lijsten met verzoeken in een pak. Artikel 36is van toepassing. De gezaghebber draagt er zorg voor dat het pak, op verzoek van de voorzitter van het centraal stembureau of de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State per post zo spoedig mogelijk wordt overgebracht naar het centraal stembureau, respectievelijk de Afdeling.
7. Voor de toepassing in een openbaar lichaam wordt in de artikelen 29, zesde lid, 33, derde lid, onder a en onder b, artikel 35, en 39voor «voorzitter van het centraal stembureau» of «voorzitter» telkens gelezen: gezaghebber.