BWBR0033849
Geldig vanaf 2013-09-13
Artikel 6
Regeling levensloop politie
1. Uiterlijk de tweede betaalperiode volgend op de betaalperiode waarin het bevoegd gezag de aanvraag tot het opbouwen van een voorziening ingevolge deze regeling heeft toegekend, wordt aangevangen met het storten van maandelijks ingezette bronnen.
2. Het storten van eenmalig ingezette bronnen vindt plaats in de maand dat deze bron aan de ambtenaar betaalbaar wordt gesteld.
3. Stortingen van bronnen waaraan geen inhouding is verbonden, vinden uiterlijk plaats in december van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.
4. Een ambtenaar kan ieder moment schriftelijk verzoeken te stoppen met het sparen voor de geldelijke voorziening. Uiterlijk de tweede betaalperiode volgend op de betaalperiode waarin het bevoegd gezag het verzoek heeft ontvangen, stopt het bevoegd gezag met het storten van de in te zetten bronnen.
5. In het kalenderjaar van stopzetting kan de ambtenaar geen nieuwe aanvraag tot het opbouwen van een voorziening ingevolge deze regeling indienen.
2. Het storten van eenmalig ingezette bronnen vindt plaats in de maand dat deze bron aan de ambtenaar betaalbaar wordt gesteld.
3. Stortingen van bronnen waaraan geen inhouding is verbonden, vinden uiterlijk plaats in december van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.
4. Een ambtenaar kan ieder moment schriftelijk verzoeken te stoppen met het sparen voor de geldelijke voorziening. Uiterlijk de tweede betaalperiode volgend op de betaalperiode waarin het bevoegd gezag het verzoek heeft ontvangen, stopt het bevoegd gezag met het storten van de in te zetten bronnen.
5. In het kalenderjaar van stopzetting kan de ambtenaar geen nieuwe aanvraag tot het opbouwen van een voorziening ingevolge deze regeling indienen.