BWBR0033849
Geldig vanaf 2013-09-13
Artikel 10
Regeling levensloop politie
1. Het bevoegd gezag kent de aanvraag tot het verlenen van tussentijdsverlof toe, tenzij:
a. ernstige bezwaren voor de bedrijfsvoering voortvloeien uit toekenning van het verzoek;
b. in de drie jaren voorafgaande aan het moment waarop de gewenste verlofperiode aanvangt aan de ambtenaar reeds eerder een tussentijdsverlof op grond van deze regeling is toegekend door hetzelfde bevoegd gezag; of
c. de levensloopaanspraken ontoereikend zijn om het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, contributies en loonheffing te voldoen.
2. Het bevoegd gezag kent de aanvraag tot het opnemen van eindeloopbaanverlof toe, tenzij de levensloopaanspraken ontoereikend zijn om het op de ambtenaar te verhalen pensioenbijdrage, contributies en loonheffing te voldoen.
3. Het bevoegd gezag maakt het besluit op de aanvraag binnen zes weken na de datum waarop deze ontvangen is bekend aan de ambtenaar en de levensloopinstelling.
4. Tijdens de periode van tussentijdsverlof of eindeloopbaanverlof kan de ambtenaar geen aanvraag doen tot vermindering van de arbeidstijd conform artikel 13a van het Barp, dan wel komt de ingevolge artikel 13a van het Barp verleende vermindering van de arbeidstijd te vervallen.
a. ernstige bezwaren voor de bedrijfsvoering voortvloeien uit toekenning van het verzoek;
b. in de drie jaren voorafgaande aan het moment waarop de gewenste verlofperiode aanvangt aan de ambtenaar reeds eerder een tussentijdsverlof op grond van deze regeling is toegekend door hetzelfde bevoegd gezag; of
c. de levensloopaanspraken ontoereikend zijn om het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, contributies en loonheffing te voldoen.
2. Het bevoegd gezag kent de aanvraag tot het opnemen van eindeloopbaanverlof toe, tenzij de levensloopaanspraken ontoereikend zijn om het op de ambtenaar te verhalen pensioenbijdrage, contributies en loonheffing te voldoen.
3. Het bevoegd gezag maakt het besluit op de aanvraag binnen zes weken na de datum waarop deze ontvangen is bekend aan de ambtenaar en de levensloopinstelling.
4. Tijdens de periode van tussentijdsverlof of eindeloopbaanverlof kan de ambtenaar geen aanvraag doen tot vermindering van de arbeidstijd conform artikel 13a van het Barp, dan wel komt de ingevolge artikel 13a van het Barp verleende vermindering van de arbeidstijd te vervallen.