Het minimumbedrag, bedoeld in
artikel 11, derde lid, van het besluitwordt, voor zover het door de AFM in rekening te brengen kosten betreft, vastgesteld op:
a. € 0 voor clearinginstellingen en banken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, die het bedrijf van clearinginstelling uitsluitend voor de eigen organisatie uitoefenen;
b. € 0 voor overige clearinginstellingen en banken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het besluit;
c. € 4.500 voor banken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, onder 1° en 3°, van het besluit;
d. € 1.200 voor schadeverzekeraars of natura-uitvaartverzekeraars als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel d, onder 1°, van het besluit;
e. € 0 voor andere schadeverzekeraars of natura-uitvaartverzekeraars als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, van het besluit;
f. € 3.000 voor levensverzekeraars als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel d, onder 3°, van het besluit;
g. € 0 voor andere levensverzekeraars als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel d, onder 4°, van het besluit;
h. € 5.750 voor beheerders en beleggingsmaatschappijen zonder aparte beheerder als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel e, onder 1°, van het besluit;
i. € 5.750 voor beheerders als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel e, 2°, van het besluit;
j. € 0 voor beheerders als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel e, onder 3°, van het besluit;
k. € 0 voor beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel g, onder 1°, 2°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8° en 9°, van het besluit;
l. € 1.100 voor beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel g, onder 3°, van het besluit;
m. € 85.500 voor beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel g, onder 4°, van het besluit voor zover het betreft het exploitatietekort voor de behandeling van een aanvraag in 2009 en/of 2010 tot wijziging van een vergunning;
n. € 640 voor beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11 van de Vrijstellingsregeling Wft;
o. € 8.907 voor in Nederland gevestigde financiële ondernemingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel g, onder 10°, van het besluit die ingevolge artikel 2:97, eerste lid, van de wet beleggingsdiensten mogen verlenen of beleggingsactiviteiten mogen verrichten;
p. € 0 voor marktexploitanten als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel h, onder 1° tot en met 3°, van het besluit;
q. € 1.800 voor uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel i, onder 1°, van het besluit;
r. € 580 voor uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel i, onder 2°, van het besluit, voor zover het beleggingsmaatschappijen betreft;
s. € 0 voor uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel i, onder 2°, van het besluit die geen beleggingsmaatschappij zijn, waarvan de aandelen of daarmee gelijk te stellen verhandelbare waardebewijzen of rechten, niet zijnde rechten van deelneming in een beleggingsmaatschappij, zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland of een markt in financiële instrumenten, niet zijnde een gereglementeerde markt, waarvan de houder een erkenning heeft als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, of waarvoor toelating tot die handel is aangevraagd;
t. € 155 voor uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel i, onder 2°, van het besluit die geen instelling zijn als bedoeld onder p of q waarvan de verhandelbare obligaties of een ander verhandelbaar schuldinstrument of een ander financieel instrument is toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland of een markt in financiële instrumenten, niet zijnde een gereglementeerde markt, waarvan de houder een erkenning heeft als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de wet of waarvoor toelating tot die handel is aangevraagd;
u. € 2.400 voor uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel i, onder 3°, van het besluit;
v. € 180 voor uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel i, onder 4°, van het besluit, voor zover het beleggingsmaatschappijen betreft;
w. € 0 voor uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel i, onder 4°, van het besluit, waarvan aandelen of financiële instrumenten waarvan de waarde mede wordt bepaald door de waarde van hun aandelen, zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de wet, is verleend of een multilaterale handelsfaciliteit waarvoor de beleggingsonderneming een vergunning heeft als bedoeld in artikel 2:96, van de wet, of waarvoor met hun instemming verzocht is om toelating van die financiële instrumenten tot de handel op een dergelijke markt;
x. € 0 voor pensioenfondsen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel j, van het besluit;
y. € 800 voor aanbieders van krediet als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel l, onder 1°, van het besluit;
z. € 5.000 voor aanbieders van beleggingsobjecten;
aa. € 0 voor aanbieders van een financieel product als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel l, van het besluit, die tevens bank zijn als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen b, onder 1° en 3°, van het besluit;
bb. € 640 voor overige adviseurs en bemiddelaars als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel m, van het besluit.
cc. € 0 voor adviseurs en bemiddelaars als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel m, van het besluit, die tevens een beleggingsonderneming zijn als bedoeld in artikel 11 van de vrijstellingsregeling Wft, of die tevens een financiële onderneming, uitgevende instelling of pensioenfonds zijn als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen a tot en met k, van het besluit;
dd. € 0 voor adviseurs en bemiddelaars als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel m, van het besluit, die tevens aanbieder zijn van een financieel product als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel l, van het besluit.