BWBR0031761
Geldig vanaf 2012-07-07
Artikel 4
Regeling vaststelling bedragen, bandbreedtes, verdeelsleutels en tarieven 2012 Wet op het financieel toezicht
1. Het minimumbedrag, bedoeld in artikel 11, derde lid, van het besluit, wordt, voor zover het door DNB in rekening te brengen kosten betreft, vastgesteld op:
a. € 31.500 voor clearinginstellingen;
b. € 31.500 voor banken en overige ondernemingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van het besluit;
c. € 31.500 voor banken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het besluit;
d. € 31.500 voor banken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, van het besluit;
e. € 25.000 voor banken met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor mogen uitoefenen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, van het besluit;
f. € 681 voor zorgverzekeraars als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel d, van het besluit;
g. € 681 voor verzekeraars als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel e, van het besluit;
h. € 4.000 voor beheerders bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel f, onder 1° en 2°, van het besluit;
i. € 5.000 voor beleggingsmaatschappijen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel g, van het besluit;
j. € 5.000 voor beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel h, onder 1°, van het besluit;
k. € 2.700 voor beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel h, onder 3°, van het besluit;
l. € 0 voor betaaldienstverleners als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel i, onder 1°, van het besluit;
m. € 0 voor elektronischgeldinstellingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel m, onder 1°, van het besluit;
n. € 3.000 voor wisselinstellingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid;
o. € 3.500 voor premiepensioeninstellingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel l, van het besluit.
2. Het minimumbedrag, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Regeling bekostiging financieel toezicht, wordt voor geldtransactiekantoren vastgesteld op € 3.000.
a. € 31.500 voor clearinginstellingen;
b. € 31.500 voor banken en overige ondernemingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van het besluit;
c. € 31.500 voor banken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het besluit;
d. € 31.500 voor banken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, van het besluit;
e. € 25.000 voor banken met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor mogen uitoefenen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, van het besluit;
f. € 681 voor zorgverzekeraars als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel d, van het besluit;
g. € 681 voor verzekeraars als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel e, van het besluit;
h. € 4.000 voor beheerders bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel f, onder 1° en 2°, van het besluit;
i. € 5.000 voor beleggingsmaatschappijen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel g, van het besluit;
j. € 5.000 voor beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel h, onder 1°, van het besluit;
k. € 2.700 voor beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel h, onder 3°, van het besluit;
l. € 0 voor betaaldienstverleners als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel i, onder 1°, van het besluit;
m. € 0 voor elektronischgeldinstellingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel m, onder 1°, van het besluit;
n. € 3.000 voor wisselinstellingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid;
o. € 3.500 voor premiepensioeninstellingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel l, van het besluit.
2. Het minimumbedrag, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Regeling bekostiging financieel toezicht, wordt voor geldtransactiekantoren vastgesteld op € 3.000.