BWBR0030399
Geldig vanaf 2011-11-16
Artikel 22
Tijdelijk besluit sociaal flankerend beleid sector rechterlijke macht 2008–2012
1. De herplaatsingskandidaat aan wie op eigen verzoek ontslag wordt verleend wegens het aanvaarden van een functie elders dan bij een parket of gerecht, of anderszins buiten het gezagsbereik van Onze Minister, wordt op zijn verzoek bij de ontslagverlening het recht op voordracht tot hernieuwde benoeming toegekend overeenkomstig de aanstelling voor het ontslag met een salaris dat overeenkomt met het laatstelijk genoten salaris voor het ontslag. Het recht op hernieuwde aanstelling geldt tijdens de eerste zes maanden van de uitoefening van de functie buiten de sector rechterlijke macht, bij ontslag in die periode buiten eigen schuld of toedoen.
2. Het eerste lid kan van overeenkomstige toepassing worden verklaard op aangewezen rechterlijke ambtenaren.
3. Het in het eerste en tweede lid bedoelde recht wordt niet toegekend indien een stimuleringspremie als bedoeld in artikel 20, eerste of vierde lid, of een premie als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, onder c is toegekend of wanneer een aanvulling op het inkomen als bedoeld in artikel 19, vijfde lid, is afgekocht.
4. Indien gebruik wordt gemaakt van het in het eerste of tweede lid bedoelde recht, wordt aan de rechterlijk ambtenaar de status van herplaatsingskandidaat verleend waarbij de eerdere periode waarin de rechterlijk ambtenaar herplaatsingskandidaat is geweest, in mindering wordt gebracht op de herplaatsingstermijn, met dien verstande dat de nieuwe herplaatsingstermijn ten minste drie maanden bedraagt.
2. Het eerste lid kan van overeenkomstige toepassing worden verklaard op aangewezen rechterlijke ambtenaren.
3. Het in het eerste en tweede lid bedoelde recht wordt niet toegekend indien een stimuleringspremie als bedoeld in artikel 20, eerste of vierde lid, of een premie als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, onder c is toegekend of wanneer een aanvulling op het inkomen als bedoeld in artikel 19, vijfde lid, is afgekocht.
4. Indien gebruik wordt gemaakt van het in het eerste of tweede lid bedoelde recht, wordt aan de rechterlijk ambtenaar de status van herplaatsingskandidaat verleend waarbij de eerdere periode waarin de rechterlijk ambtenaar herplaatsingskandidaat is geweest, in mindering wordt gebracht op de herplaatsingstermijn, met dien verstande dat de nieuwe herplaatsingstermijn ten minste drie maanden bedraagt.