BWBR0030399
Geldig vanaf 2011-11-16
Artikel 11
Tijdelijk besluit sociaal flankerend beleid sector rechterlijke macht 2008–2012
1. De aangewezen rechterlijk ambtenaar of herplaatsingskandidaat heeft recht op vergoeding van de verhuiskosten overeenkomstig het gestelde bij en krachtens <a href="/wet/BWBR0004630/artikel/8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8, van het Verplaatsingskostenbesluit 1989</a>, indien binnen twee jaar na verplaatsing aan een verhuisplicht wordt voldaan, dan wel zonder verhuisplicht wordt verhuisd van buiten 50 kilometer van de plaats van tewerkstelling naar binnen 25 kilometer van de standplaats. In afwijking van artikel 8, tweede lid, van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 stelt Onze Minister regels ten aanzien van de hoogte van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, Verplaatsingskostenbesluit 1989.
2. De aangewezen rechterlijk ambtenaar of herplaatsingskandidaat die in opdracht van Onze Minister of het gerechtsbestuur is verhuisd, heeft eenmalig aanspraak op een vergoeding ter tegemoetkoming in de daarmee verband houdende kosten. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0006530/artikel/36r" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 36r, eerste lid, Brra</a>stelt Onze Minister regels ten aanzien van de vergoeding.
3. Het eerste en tweede lid kunnen van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere dan de in het eerste en tweede lid genoemde rechterlijke ambtenaren.
2. De aangewezen rechterlijk ambtenaar of herplaatsingskandidaat die in opdracht van Onze Minister of het gerechtsbestuur is verhuisd, heeft eenmalig aanspraak op een vergoeding ter tegemoetkoming in de daarmee verband houdende kosten. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0006530/artikel/36r" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 36r, eerste lid, Brra</a>stelt Onze Minister regels ten aanzien van de vergoeding.
3. Het eerste en tweede lid kunnen van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere dan de in het eerste en tweede lid genoemde rechterlijke ambtenaren.