BWBR0030399
Geldig vanaf 2011-11-16
Artikel 13
Tijdelijk besluit sociaal flankerend beleid sector rechterlijke macht 2008–2012
1. Indien de reistijd voor woon-werkverkeer door een wijziging van de plaats van tewerkstelling van de aangewezen rechterlijk ambtenaar en de herplaatsingskandidaat met meer dan 15 minuten per enkele reis toeneemt, wordt deze extra reistijd, voor zover deze meer is dan 15 minuten, gedurende twee jaar als werktijd aangemerkt.
2. Gedurende het derde, vierde en vijfde jaar wordt respectievelijk 75%, 50% en 25% van de in het eerste lid bedoelde extra reistijd als werktijd aangemerkt.
3. Voor de rechterlijk ambtenaar die de in het eerste lid bedoelde aanspraak heeft, en voor wie binnen twee jaar als gevolg van reorganisatie opnieuw de plaats van tewerkstelling wijzigt, wordt bij de berekening van de extra reistijd uitgegaan van de totale toename ten opzichte van de reistijd zoals die was voor de eerste wijziging.
4. Indien de tweede toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt ten opzichte van de reistijd zoals die was na de eerste wijziging, wordt de in het eerste en tweede lid genoemde termijn, gedurende welke de aanspraak bestaat, opnieuw opgestart.
5. De rechterlijk ambtenaar voor wie binnen twee jaar voor de tweede maal de plaats van tewerkstelling als gevolg van een reorganisatie wijzigt en voor wie pas na de tweede wijziging de toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt, heeft aanspraak op de voorziening, bedoeld in het eerste en tweede lid vanaf de tweede wijziging.
6. Voor de bepaling van de route wordt uitgegaan van de feitelijk gebruikte methode van vervoer in de oude en de nieuwe situatie.
7. Het eerste tot en met zesde lid kan van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere dan de in het eerste lid genoemde rechterlijke ambtenaren.
2. Gedurende het derde, vierde en vijfde jaar wordt respectievelijk 75%, 50% en 25% van de in het eerste lid bedoelde extra reistijd als werktijd aangemerkt.
3. Voor de rechterlijk ambtenaar die de in het eerste lid bedoelde aanspraak heeft, en voor wie binnen twee jaar als gevolg van reorganisatie opnieuw de plaats van tewerkstelling wijzigt, wordt bij de berekening van de extra reistijd uitgegaan van de totale toename ten opzichte van de reistijd zoals die was voor de eerste wijziging.
4. Indien de tweede toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt ten opzichte van de reistijd zoals die was na de eerste wijziging, wordt de in het eerste en tweede lid genoemde termijn, gedurende welke de aanspraak bestaat, opnieuw opgestart.
5. De rechterlijk ambtenaar voor wie binnen twee jaar voor de tweede maal de plaats van tewerkstelling als gevolg van een reorganisatie wijzigt en voor wie pas na de tweede wijziging de toename van de reistijd meer dan 15 minuten bedraagt, heeft aanspraak op de voorziening, bedoeld in het eerste en tweede lid vanaf de tweede wijziging.
6. Voor de bepaling van de route wordt uitgegaan van de feitelijk gebruikte methode van vervoer in de oude en de nieuwe situatie.
7. Het eerste tot en met zesde lid kan van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere dan de in het eerste lid genoemde rechterlijke ambtenaren.