BWBR0029789
Geldig vanaf 2013-03-25
Artikel 1.4
Besluit lozen buiten inrichtingen
1. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het lozen plaatsvindt zijn bevoegd gezag, indien het lozen betreft als bedoeld in artikel 10.32 van de Wet milieubeheer.
2. Gedeputeerde staten van de provincie waar het lozen in de bodem plaatsvindt zijn bevoegd gezag, indien dat lozen geheel of gedeeltelijk plaatsvindt op een diepte van meer dan 10 meter beneden het maaiveld.
3. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het lozen plaatsvindt zijn bevoegd gezag, indien het ander lozen op of in de bodem betreft dan bedoeld in het tweede lid.
4. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is bevoegd gezag voor zover het betreft lozen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwetin een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
5. Het bestuur van het betrokken waterschap is bevoegd gezag voor zover het betreft lozen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwetin een oppervlaktewaterlichaam dat niet in beheer is bij het Rijk en als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van die wet.
6. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het bodemenergiesysteem zich bevindt, zijn bevoegd gezag met betrekking tot het installeren en in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem.
7. Indien een ander bestuursorgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd gezag is met betrekking tot een omgevingsvergunning met betrekking tot het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 2.2a, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht, is dat bestuursorgaan, in afwijking van het zesde lid, tevens bevoegd gezag met betrekking tot het installeren en in werking hebben van dat bodemenergiesysteem.
2. Gedeputeerde staten van de provincie waar het lozen in de bodem plaatsvindt zijn bevoegd gezag, indien dat lozen geheel of gedeeltelijk plaatsvindt op een diepte van meer dan 10 meter beneden het maaiveld.
3. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het lozen plaatsvindt zijn bevoegd gezag, indien het ander lozen op of in de bodem betreft dan bedoeld in het tweede lid.
4. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is bevoegd gezag voor zover het betreft lozen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwetin een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
5. Het bestuur van het betrokken waterschap is bevoegd gezag voor zover het betreft lozen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwetin een oppervlaktewaterlichaam dat niet in beheer is bij het Rijk en als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van die wet.
6. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het bodemenergiesysteem zich bevindt, zijn bevoegd gezag met betrekking tot het installeren en in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem.
7. Indien een ander bestuursorgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd gezag is met betrekking tot een omgevingsvergunning met betrekking tot het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 2.2a, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht, is dat bestuursorgaan, in afwijking van het zesde lid, tevens bevoegd gezag met betrekking tot het installeren en in werking hebben van dat bodemenergiesysteem.