BWBR0029789
Geldig vanaf 2013-03-25
Artikel 1.10
Besluit lozen buiten inrichtingen
1. Degene die voornemens is te lozen als bedoeld in de artikelen 3.1, tweede, derde, vierde en zesde lid, onderdeel a, 3.2, derde, vijfde, zevende en negende lid, 3.5, derde en vierde lid, 3.6, tweede lid, 3.10, eerste lid, 3.11, eerste lid, 3.12, eerste lid, 3.13, zevende en negende lid, 3.17, eerste en tweede lid, 3.20, vijfde lid, 3.21, eerste lid, 3.24, of 3a.2, meldt dit ten minste vier weken voordat met het lozen wordt aangevangen aan het bevoegd gezag.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van het lozen. Een melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens en er niet op grond van de artikelen 1.16 tot en met 1.19andere gegevens verstrekt moeten worden.
3. Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt:
a. de naam en het adres van degene die voornemens is te lozen dan wel de aard of omvang van het lozen te veranderen;
b. het tijdstip waarop het lozen of de verandering daarvan zal aanvangen en de duur van het lozen;
c. de aard en omvang van het lozen;
d. een situatieschets, met een schaal van ten minste 1:10.000 en voorzien van een noordpijl, waarop de ligging van de activiteit waarvan het lozen het gevolg is ten opzichte van de omgeving is aangegeven, met aanduiding van de lozingspunten en de ligging van de terreinriolering.
4. Het bestuursorgaan dat een melding ontvangt waarvoor een ander bestuursorgaan mede bevoegd gezag is, stuurt onmiddellijk een kopie van de melding aan het andere bevoegde gezag. De melding geldt als mede bij dat andere bevoegde gezag te zijn gedaan.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van het lozen. Een melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens en er niet op grond van de artikelen 1.16 tot en met 1.19andere gegevens verstrekt moeten worden.
3. Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt:
a. de naam en het adres van degene die voornemens is te lozen dan wel de aard of omvang van het lozen te veranderen;
b. het tijdstip waarop het lozen of de verandering daarvan zal aanvangen en de duur van het lozen;
c. de aard en omvang van het lozen;
d. een situatieschets, met een schaal van ten minste 1:10.000 en voorzien van een noordpijl, waarop de ligging van de activiteit waarvan het lozen het gevolg is ten opzichte van de omgeving is aangegeven, met aanduiding van de lozingspunten en de ligging van de terreinriolering.
4. Het bestuursorgaan dat een melding ontvangt waarvoor een ander bestuursorgaan mede bevoegd gezag is, stuurt onmiddellijk een kopie van de melding aan het andere bevoegde gezag. De melding geldt als mede bij dat andere bevoegde gezag te zijn gedaan.