BWBR0028907
Geldig vanaf 31-10-2010
Artikel 53
Regeling securitisaties Wft 2010
1. Een financiële onderneming vergelijkt het gemiddelde over drie maanden van de overgebleven rentemarge met het niveau van deze marge waarop zij wordt ingesloten, indien:
a. het een securitisatie met een vervroegde-aflossingsbepaling betreft;
b. het een securitisatie betreft van niet-gecommiteerde vorderingen op particulieren of op kleine partijen die onvoorwaardelijk en zonder voorafgaande kennisgeving opzegbaar zijn; en
c. de vervroegde aflossing wordt veroorzaakt door een daling van de overgebleven rentemarge tot een bepaald niveau.
2. In gevallen waarin het insluiten van de overgebleven rentemarge niet door de securitisatie wordt voorgeschreven, wordt het insluitingsniveau geacht 4,5 procentpunt hoger te zijn dan het niveau waarop vervroegde aflossing wordt geactiveerd.
3. De toe te passen omrekeningsfactor wordt bepaald door het niveau van het feitelijke gemiddelde over drie maanden van de overgebleven rentemarge als weergegeven in de bij dit artikel behorende tabel 5, waarbij:
a. niveau A een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is dan 133,33% maar niet lager dan 100% van het insluitingsniveau van de overgebleven rentemarge;
b. niveau B een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is dan 100% maar niet lager dan 75% van dat insluitingsniveau van de overgebleven rentemarge;
c. niveau C een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is dan 75% maar niet lager dan 50% van het insluitingsniveau van de overgebleven rentemarge;
d. niveau D een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is dan 50% maar niet lager dan 25% van het insluitingsniveau van de overgebleven rentemarge; en
e. niveau E een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is dan 25% van het insluitingsniveau van de overgebleven rentemarge.
[tabel]
a. het een securitisatie met een vervroegde-aflossingsbepaling betreft;
b. het een securitisatie betreft van niet-gecommiteerde vorderingen op particulieren of op kleine partijen die onvoorwaardelijk en zonder voorafgaande kennisgeving opzegbaar zijn; en
c. de vervroegde aflossing wordt veroorzaakt door een daling van de overgebleven rentemarge tot een bepaald niveau.
2. In gevallen waarin het insluiten van de overgebleven rentemarge niet door de securitisatie wordt voorgeschreven, wordt het insluitingsniveau geacht 4,5 procentpunt hoger te zijn dan het niveau waarop vervroegde aflossing wordt geactiveerd.
3. De toe te passen omrekeningsfactor wordt bepaald door het niveau van het feitelijke gemiddelde over drie maanden van de overgebleven rentemarge als weergegeven in de bij dit artikel behorende tabel 5, waarbij:
a. niveau A een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is dan 133,33% maar niet lager dan 100% van het insluitingsniveau van de overgebleven rentemarge;
b. niveau B een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is dan 100% maar niet lager dan 75% van dat insluitingsniveau van de overgebleven rentemarge;
c. niveau C een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is dan 75% maar niet lager dan 50% van het insluitingsniveau van de overgebleven rentemarge;
d. niveau D een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is dan 50% maar niet lager dan 25% van het insluitingsniveau van de overgebleven rentemarge; en
e. niveau E een niveau van overgebleven rentemarges betreft dat lager is dan 25% van het insluitingsniveau van de overgebleven rentemarge.
[tabel]
- Citeren als
- Art. 53
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028907
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl