BWBR0028907
Geldig vanaf 31-10-2010
Artikel 3
Regeling securitisaties Wft 2010
1. De initiërende financiële onderneming van een traditionele securitisatie kan gesecuritiseerde vorderingen buiten de berekening van risicogewogen posten en, indien van toepassing, verwachte verliesposten houden, indien ten minste voldaan is aan de artikelen 4 en 5, alsmede ten minste aan een van de volgende voorwaarden:
a. een aanzienlijk deel van het aan de gesecuritiseerde vorderingen verbonden kredietrisico is geacht te zijn overgedragen aan derden; of
b. de initiërende financiële onderneming past een risicogewicht van 1250% toe op alle securitisatieposities die zij in de betrokken securitisatie inneemt, of trekt deze securitisatieposities af van het toetsingsvermogen, bedoeld in artikel 94, tweede lid, van het Besluit.
2. Tenzij DNB in een specifiek geval tot het oordeel komt dat de eventuele vermindering van de risicogewogen posten die de initiërende financiële onderneming door de betrokken securitisatie zou bewerkstelligen, niet gerechtvaardigd is door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden, wordt aangenomen dat een aanzienlijk deel van het kredietrisico is overgedragen, indien ten minste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de risicogewogen posten van de mezzanine securitisatieposities die de initiërende financiële onderneming in deze securitisatie inneemt, bedragen niet meer dan 50% van de risicogewogen posten van alle in het kader van deze securitisatie bestaande mezzanine securitisatieposities; of
b. in het geval er in het kader van een gegeven securitisatie geen mezzanine securitisatieposities bestaan: 1°. de initiërende financiële onderneming kan aantonen dat de waarde van de post van de securitisatieposities die van het eigen vermogen zouden worden afgetrokken of waarop een risicogewicht van 1250% van toepassing zou zijn, aanzienlijk hoger ligt dan een met redenen omklede raming van het verwachte verlies op de gesecuritiseerde vorderingen; en
2°. de initiërende financiële onderneming niet meer dan 20% houdt van de waarde van de post van de securitisatieposities die van het eigen vermogen zouden worden afgetrokken of waarop een risicogewicht van 1250% van toepassing zou zijn.
1°. de initiërende financiële onderneming kan aantonen dat de waarde van de post van de securitisatieposities die van het eigen vermogen zouden worden afgetrokken of waarop een risicogewicht van 1250% van toepassing zou zijn, aanzienlijk hoger ligt dan een met redenen omklede raming van het verwachte verlies op de gesecuritiseerde vorderingen; en
2°. de initiërende financiële onderneming niet meer dan 20% houdt van de waarde van de post van de securitisatieposities die van het eigen vermogen zouden worden afgetrokken of waarop een risicogewicht van 1250% van toepassing zou zijn.
3. Voor de toepassing van het tweede lid worden onder mezzanine securitisatieposities verstaan securitisatieposities waarop een risicogewicht van minder dan 1250% van toepassing is en die van een lagere rangorde zijn dan de positie die in de betrokken securitisatie de hoogste rang heeft, en tevens van een lagere rangorde zijn dan een securitisatiepositie in deze securitisatie welke overeenkomstig afdeling 3.2. is ondergebracht in:
a. kredietkwaliteitscategorie 1 in het geval van een securitisatiepositie waarop de standaardbenadering als bedoeld in hoofdstuk 4. van toepassing is; of
b. kredietkwaliteitscategorie 1 of 2 in het geval van een securitisatiepositie waarop de op ratings gebaseerde methode, bedoeld in hoofdstuk 5. van toepassing is.
4. In afwijking van het tweede en derde lid kan DNB in een specifiek geval toestaan dat wordt aangenomen dat een aanzienlijk deel van het kredietrisico is overgedragen, indien de initiërende financiële onderneming ten minste aantoont dat er gedragslijnen en methodologieën bestaan en worden nageleefd die garanderen dat de eventuele vermindering van de vereiste minimumomvang van het toetsingsvermogen die de initiërende financiële onderneming door de securitisatie bewerkstelligt, gerechtvaardigd is door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden. Voor deze toestemming van DNB is tevens vereist dat de initiërende financiële onderneming ten minste aantoont dat een dergelijke overdracht van kredietrisico aan derden ook wordt erkend voor de doeleinden van het interne risicobeheer en de interne kapitaalallocatie van deze financiële onderneming.
a. een aanzienlijk deel van het aan de gesecuritiseerde vorderingen verbonden kredietrisico is geacht te zijn overgedragen aan derden; of
b. de initiërende financiële onderneming past een risicogewicht van 1250% toe op alle securitisatieposities die zij in de betrokken securitisatie inneemt, of trekt deze securitisatieposities af van het toetsingsvermogen, bedoeld in artikel 94, tweede lid, van het Besluit.
2. Tenzij DNB in een specifiek geval tot het oordeel komt dat de eventuele vermindering van de risicogewogen posten die de initiërende financiële onderneming door de betrokken securitisatie zou bewerkstelligen, niet gerechtvaardigd is door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden, wordt aangenomen dat een aanzienlijk deel van het kredietrisico is overgedragen, indien ten minste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de risicogewogen posten van de mezzanine securitisatieposities die de initiërende financiële onderneming in deze securitisatie inneemt, bedragen niet meer dan 50% van de risicogewogen posten van alle in het kader van deze securitisatie bestaande mezzanine securitisatieposities; of
b. in het geval er in het kader van een gegeven securitisatie geen mezzanine securitisatieposities bestaan: 1°. de initiërende financiële onderneming kan aantonen dat de waarde van de post van de securitisatieposities die van het eigen vermogen zouden worden afgetrokken of waarop een risicogewicht van 1250% van toepassing zou zijn, aanzienlijk hoger ligt dan een met redenen omklede raming van het verwachte verlies op de gesecuritiseerde vorderingen; en
2°. de initiërende financiële onderneming niet meer dan 20% houdt van de waarde van de post van de securitisatieposities die van het eigen vermogen zouden worden afgetrokken of waarop een risicogewicht van 1250% van toepassing zou zijn.
1°. de initiërende financiële onderneming kan aantonen dat de waarde van de post van de securitisatieposities die van het eigen vermogen zouden worden afgetrokken of waarop een risicogewicht van 1250% van toepassing zou zijn, aanzienlijk hoger ligt dan een met redenen omklede raming van het verwachte verlies op de gesecuritiseerde vorderingen; en
2°. de initiërende financiële onderneming niet meer dan 20% houdt van de waarde van de post van de securitisatieposities die van het eigen vermogen zouden worden afgetrokken of waarop een risicogewicht van 1250% van toepassing zou zijn.
3. Voor de toepassing van het tweede lid worden onder mezzanine securitisatieposities verstaan securitisatieposities waarop een risicogewicht van minder dan 1250% van toepassing is en die van een lagere rangorde zijn dan de positie die in de betrokken securitisatie de hoogste rang heeft, en tevens van een lagere rangorde zijn dan een securitisatiepositie in deze securitisatie welke overeenkomstig afdeling 3.2. is ondergebracht in:
a. kredietkwaliteitscategorie 1 in het geval van een securitisatiepositie waarop de standaardbenadering als bedoeld in hoofdstuk 4. van toepassing is; of
b. kredietkwaliteitscategorie 1 of 2 in het geval van een securitisatiepositie waarop de op ratings gebaseerde methode, bedoeld in hoofdstuk 5. van toepassing is.
4. In afwijking van het tweede en derde lid kan DNB in een specifiek geval toestaan dat wordt aangenomen dat een aanzienlijk deel van het kredietrisico is overgedragen, indien de initiërende financiële onderneming ten minste aantoont dat er gedragslijnen en methodologieën bestaan en worden nageleefd die garanderen dat de eventuele vermindering van de vereiste minimumomvang van het toetsingsvermogen die de initiërende financiële onderneming door de securitisatie bewerkstelligt, gerechtvaardigd is door een overeenkomstige overdracht van kredietrisico aan derden. Voor deze toestemming van DNB is tevens vereist dat de initiërende financiële onderneming ten minste aantoont dat een dergelijke overdracht van kredietrisico aan derden ook wordt erkend voor de doeleinden van het interne risicobeheer en de interne kapitaalallocatie van deze financiële onderneming.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028907
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl