BWBR0028498
Geldig vanaf 2010-10-01
Artikel 8
Beleidsregels ontgrondingen in rijkswateren
1. Voor ontgrondingen in de Zeeuwse en Zuid-Hollandse wateren in beheer bij het Rijk, alsmede de hiermee in open verbinding staande havens onder beheer van het Rijk kan een ontgrondingsvergunning worden verleend voor zandwinning als er sprake is van een multifunctionele ontgronding of, indien er zwaarwegende redenen zijn, voor andere ontgrondingen.
2. Tot 1 januari 2014 is multifunctionaliteit geen vereiste voor de verlening van een ontgrondingsvergunning voor zandwinning in de Westerschelde.
3. De ontgronding mag alleen plaatsvinden:
1°. buiten de NAP -5 meter dieptelijn, en
2°. tot een maximale diepte beneden de oorspronkelijke zeebodem die afhangt van de locale morfologie, stroomsnelheid en veiligheid.
4. Het derde lid is niet van toepassing op ontgrondingen ten behoeve van het mogelijk maken of verbeteren van nautische functies.
5. De niet-multifunctionele zandwinning als bedoeld in het tweede lid in de Westerschelde wordt afgebouwd en eindigt uiterlijk in 2014. Voor deze zandwinning geldt in de periode 2011 tot 2014 een maximum te vergunnen hoeveelheid van:
– 4.000.000 m3 voor de handel,
– 900.000 m3 voor de Nederlandse overheid,
– 900.000 m3 voor het Vlaams Gewest.
6. De aanleg van een overslagput ten behoeve van de overslag van beton- en metselzand, ophoogzand of grind is toegestaan zeewaarts van de NAP -7 meter dieptelijn.
7. Het diepteverschil tussen de bodem van de overslagput wordt per vergunningaanvraag op basis van de morfologie bepaald.
8. Indien te voorzien is dat de overslagput gedurende minimaal 6 maanden niet gebruikt wordt, wordt deze binnen twee maanden na beëindiging van het gebruik opgevuld met gebiedseigen materiaal tot de oorspronkelijke zeebodemligging.
2. Tot 1 januari 2014 is multifunctionaliteit geen vereiste voor de verlening van een ontgrondingsvergunning voor zandwinning in de Westerschelde.
3. De ontgronding mag alleen plaatsvinden:
1°. buiten de NAP -5 meter dieptelijn, en
2°. tot een maximale diepte beneden de oorspronkelijke zeebodem die afhangt van de locale morfologie, stroomsnelheid en veiligheid.
4. Het derde lid is niet van toepassing op ontgrondingen ten behoeve van het mogelijk maken of verbeteren van nautische functies.
5. De niet-multifunctionele zandwinning als bedoeld in het tweede lid in de Westerschelde wordt afgebouwd en eindigt uiterlijk in 2014. Voor deze zandwinning geldt in de periode 2011 tot 2014 een maximum te vergunnen hoeveelheid van:
– 4.000.000 m3 voor de handel,
– 900.000 m3 voor de Nederlandse overheid,
– 900.000 m3 voor het Vlaams Gewest.
6. De aanleg van een overslagput ten behoeve van de overslag van beton- en metselzand, ophoogzand of grind is toegestaan zeewaarts van de NAP -7 meter dieptelijn.
7. Het diepteverschil tussen de bodem van de overslagput wordt per vergunningaanvraag op basis van de morfologie bepaald.
8. Indien te voorzien is dat de overslagput gedurende minimaal 6 maanden niet gebruikt wordt, wordt deze binnen twee maanden na beëindiging van het gebruik opgevuld met gebiedseigen materiaal tot de oorspronkelijke zeebodemligging.