BWBR0028498
Geldig vanaf 2010-10-01
Artikel 2
Beleidsregels ontgrondingen in rijkswateren
In tabel 1 is de afstand opgenomen ten opzichte van kunstwerken, vaste objecten, situaties en omstandigheden waarbinnen geen ontgrondingsvergunning voor schelpenwinning of andere ontgrondingen wordt verleend.
1 Afstanden gelden voor ontgrondingen tot een diepte van maximaal 2 meter beneden de zeebodem. Voor diepere ontgrondingen kunnen grotere afstanden gelden tot de kabels, leidingen, kunstwerken en vaste objecten waarbinnen geen ontgrondingen mogen plaatsvinden. Deze afstanden worden per specifiek geval bepaald en in de vergunningsvoorschriften opgenomen.
2Ontgrondingsvergunningen in het IJsselmeergebied worden tevens niet verleend indien de ontgronding dieper gaat dan de denkbeeldige taludlijn met een helling van 1:10, lopend vanaf de teen van de dijk schuin omlaag, dan wel lopend vanaf het archeologische monument, de archeologische vondst of het wrak schuin omlaag. Indien voor de betreffende dijk een buitendijkse beschermingszone (zoals gedefinieerd door de beheerder van de waterkering) voor ontgronden van toepassing is loopt de taludlijn vanaf de buitenste begrenzing van deze beschermingszone omlaag.
3Ontgrondingsvergunningen in het IJsselmeergebied worden tevens niet verleend indien de ontgronding dieper gaat dan de denkbeeldige taludlijn met een helling van 1:10, lopend vanaf de teen van de dijk schuin omlaag, dan wel lopend vanaf het archeologische monument, de archeologische vondst of het wrak schuin omlaag. Indien voor de betreffende dijk een buitendijkse beschermingszone (zoals gedefinieerd door de beheerder van de waterkering) voor ontgronden van toepassing is loopt de taludlijn vanaf de buitenste begrenzing van deze beschermingszone omlaag.
4Afstanden gelden voor ontgrondingen tot een diepte van maximaal 2 meter beneden de zeebodem. Voor diepere ontgrondingen kunnen grotere afstanden gelden tot de kabels, leidingen, kunstwerken en vaste objecten waarbinnen geen ontgrondingen mogen plaatsvinden. Deze afstanden worden per specifiek geval bepaald en in de vergunningsvoorschriften opgenomen.
5Afstanden gelden voor ontgrondingen tot een diepte van maximaal 2 meter beneden de zeebodem. Voor diepere ontgrondingen kunnen grotere afstanden gelden tot de kabels, leidingen, kunstwerken en vaste objecten waarbinnen geen ontgrondingen mogen plaatsvinden. Deze afstanden worden per specifiek geval bepaald en in de vergunningsvoorschriften opgenomen.
6Afstanden gelden voor ontgrondingen tot een diepte van maximaal 2 meter beneden de zeebodem. Voor diepere ontgrondingen kunnen grotere afstanden gelden tot de kabels, leidingen, kunstwerken en vaste objecten waarbinnen geen ontgrondingen mogen plaatsvinden. Deze afstanden worden per specifiek geval bepaald en in de vergunningsvoorschriften opgenomen.
1 Afstanden gelden voor ontgrondingen tot een diepte van maximaal 2 meter beneden de zeebodem. Voor diepere ontgrondingen kunnen grotere afstanden gelden tot de kabels, leidingen, kunstwerken en vaste objecten waarbinnen geen ontgrondingen mogen plaatsvinden. Deze afstanden worden per specifiek geval bepaald en in de vergunningsvoorschriften opgenomen.
2Ontgrondingsvergunningen in het IJsselmeergebied worden tevens niet verleend indien de ontgronding dieper gaat dan de denkbeeldige taludlijn met een helling van 1:10, lopend vanaf de teen van de dijk schuin omlaag, dan wel lopend vanaf het archeologische monument, de archeologische vondst of het wrak schuin omlaag. Indien voor de betreffende dijk een buitendijkse beschermingszone (zoals gedefinieerd door de beheerder van de waterkering) voor ontgronden van toepassing is loopt de taludlijn vanaf de buitenste begrenzing van deze beschermingszone omlaag.
3Ontgrondingsvergunningen in het IJsselmeergebied worden tevens niet verleend indien de ontgronding dieper gaat dan de denkbeeldige taludlijn met een helling van 1:10, lopend vanaf de teen van de dijk schuin omlaag, dan wel lopend vanaf het archeologische monument, de archeologische vondst of het wrak schuin omlaag. Indien voor de betreffende dijk een buitendijkse beschermingszone (zoals gedefinieerd door de beheerder van de waterkering) voor ontgronden van toepassing is loopt de taludlijn vanaf de buitenste begrenzing van deze beschermingszone omlaag.
4Afstanden gelden voor ontgrondingen tot een diepte van maximaal 2 meter beneden de zeebodem. Voor diepere ontgrondingen kunnen grotere afstanden gelden tot de kabels, leidingen, kunstwerken en vaste objecten waarbinnen geen ontgrondingen mogen plaatsvinden. Deze afstanden worden per specifiek geval bepaald en in de vergunningsvoorschriften opgenomen.
5Afstanden gelden voor ontgrondingen tot een diepte van maximaal 2 meter beneden de zeebodem. Voor diepere ontgrondingen kunnen grotere afstanden gelden tot de kabels, leidingen, kunstwerken en vaste objecten waarbinnen geen ontgrondingen mogen plaatsvinden. Deze afstanden worden per specifiek geval bepaald en in de vergunningsvoorschriften opgenomen.
6Afstanden gelden voor ontgrondingen tot een diepte van maximaal 2 meter beneden de zeebodem. Voor diepere ontgrondingen kunnen grotere afstanden gelden tot de kabels, leidingen, kunstwerken en vaste objecten waarbinnen geen ontgrondingen mogen plaatsvinden. Deze afstanden worden per specifiek geval bepaald en in de vergunningsvoorschriften opgenomen.