BWBR0028498
Geldig vanaf 2010-10-01
Artikel 5
Beleidsregels ontgrondingen in rijkswateren
1. Zeewaarts van de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn in de Noordzee kan een ontgrondingsvergunning worden verleend, met dien verstande dat:
a. voor een ontgronding met een winhoeveelheid van 10 miljoen m3 of meer per vergunningaanvraag, of
b. met een windiepte van meer dan twee meter beneden de oorspronkelijke zeebodem of op een plek waar al eerder tot twee meter ontgrond is, uitsluitend vergunning kan worden verleend indien de ontgronding minimaal 2 kilometer zeewaarts van de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn plaatsvindt.
2. Landwaarts van de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn in de Noordzee kan alleen vergunning worden verleend voor:
a. de zandwinning uit de vaargeulen,
b. het aanleggen van overslagputten voor zover ze zeewaarts van NAP -7 meter dieptelijn worden aangelegd,
c. de zandwinning waarbij het verwijderen van zand uit de winlocatie bijdraagt aan de kustverdediging of het in oorspronkelijke staat brengen van de zeebodem van voormalige stortgebieden.
3. Een overslagput die minder dan een jaar gebruikt wordt, wordt na gebruik in het winterseizoen binnen één maand en na gebruik in het zomerseizoen binnen twee maanden opgevuld met gebiedseigen materiaal.
4. Een overslagput die een jaar of langer in gebruik is geweest en naar verwachting gedurende minimaal zes maanden niet meer gebruikt wordt, wordt binnen twee maanden na beëindiging van het gebruik opgevuld met gebiedseigen materiaal tot de oorspronkelijke zeebodemligging. Daarnaast dienen de eventueel nadelige gevolgen voor het milieu te worden gemonitoord.
a. voor een ontgronding met een winhoeveelheid van 10 miljoen m3 of meer per vergunningaanvraag, of
b. met een windiepte van meer dan twee meter beneden de oorspronkelijke zeebodem of op een plek waar al eerder tot twee meter ontgrond is, uitsluitend vergunning kan worden verleend indien de ontgronding minimaal 2 kilometer zeewaarts van de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn plaatsvindt.
2. Landwaarts van de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn in de Noordzee kan alleen vergunning worden verleend voor:
a. de zandwinning uit de vaargeulen,
b. het aanleggen van overslagputten voor zover ze zeewaarts van NAP -7 meter dieptelijn worden aangelegd,
c. de zandwinning waarbij het verwijderen van zand uit de winlocatie bijdraagt aan de kustverdediging of het in oorspronkelijke staat brengen van de zeebodem van voormalige stortgebieden.
3. Een overslagput die minder dan een jaar gebruikt wordt, wordt na gebruik in het winterseizoen binnen één maand en na gebruik in het zomerseizoen binnen twee maanden opgevuld met gebiedseigen materiaal.
4. Een overslagput die een jaar of langer in gebruik is geweest en naar verwachting gedurende minimaal zes maanden niet meer gebruikt wordt, wordt binnen twee maanden na beëindiging van het gebruik opgevuld met gebiedseigen materiaal tot de oorspronkelijke zeebodemligging. Daarnaast dienen de eventueel nadelige gevolgen voor het milieu te worden gemonitoord.