BWBR0028495
Geldig vanaf 10-10-2010
Artikel 71
Wet toezicht verzekeringsbedrijf BES
1. De Bank dient een verzoek tot faillietverklaring van de verzekeraar in, indien haar blijkt dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft en hetzij het met de noodregeling te bereiken doel is of niet meer kan worden verwezenlijkt, hetzij – indien niet tevoren de noodregeling werd uitgesproken – geen redelijk vooruitzicht meer bestaat dat het met de noodregeling te bereiken doel alsnog kan worden verwezenlijkt.
2. Bij de beoordeling van de omvang van het eigen vermogen van een verzekeraar met zetel in het buitenland worden uitsluitend de activa en passiva in aanmerking genomen die naar het oordeel van de Bank behoren tot het vanuit de vestigingen in de openbare lichamen uitgeoefende verzekeringsbedrijf.
3. De faillietverklaring wordt uitgesproken ongeacht of de verzekeraar verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. Het bepaalde in de eerste titel van de Faillissementswet BES is overigens van toepassing.
4. De noodregeling houdt van rechtswege op van kracht te zijn ingeval de verzekeraar in staat van faillissement wordt verklaard. Alsdan, zomede indien de faillietverklaring wordt uitgesproken binnen een maand na het intrekken van de noodregeling, gelden de volgende bepalingen:
a. het tijdstip waarop de termijnen, in de artikelen 39 en 41 van de Faillissementswet BES vermeld, aanvangen, wordt berekend vanaf het tijdstip waarop de beschikking, houdende het uitspreken van de noodregeling, uitvoerbaar is geworden;
b. een beroep op schuldvergelijking kan in afwijking van artikel 49 van de Faillissementswet BES slechts worden gedaan indien de schuldvordering en de schuldplichtigheid beide zijn ontstaan voor het tijdstip waarop de beschikking, houdende het uitspreken van de noodregeling uitvoerbaar is geworden dan wel voortvloeien uit een handeling voor dat tijdstip met de gefailleerde verricht;
c. handelingen, ingevolge artikel 63 door of namens de Bank verricht gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, worden beschouwd als handelingen van de curator, terwijl boedelschulden, gedurende die tijd ontstaan, ook in het faillissement als boedelschulden zullen gelden;
d. de boedel is niet aansprakelijk voor verbintenissen van de verzekeraar die in strijd met artikel 63, eerste en vierde lid, zijn aangegaan gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, dan voor zover deze daardoor is gebaat;
e. vorderingen uit overeenkomsten van levensverzekering kunnen in afwijking van artikel 105, eerste lid, van de Faillissementswet BES worden ingediend door overlegging van de polis of een afschrift daarvan, zonder dat het bedrag van de vordering behoeft te worden vermeld. Voor zover de curator de vordering erkent, stelt hij de omvang daarvan vast.
2. Bij de beoordeling van de omvang van het eigen vermogen van een verzekeraar met zetel in het buitenland worden uitsluitend de activa en passiva in aanmerking genomen die naar het oordeel van de Bank behoren tot het vanuit de vestigingen in de openbare lichamen uitgeoefende verzekeringsbedrijf.
3. De faillietverklaring wordt uitgesproken ongeacht of de verzekeraar verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. Het bepaalde in de eerste titel van de Faillissementswet BES is overigens van toepassing.
4. De noodregeling houdt van rechtswege op van kracht te zijn ingeval de verzekeraar in staat van faillissement wordt verklaard. Alsdan, zomede indien de faillietverklaring wordt uitgesproken binnen een maand na het intrekken van de noodregeling, gelden de volgende bepalingen:
a. het tijdstip waarop de termijnen, in de artikelen 39 en 41 van de Faillissementswet BES vermeld, aanvangen, wordt berekend vanaf het tijdstip waarop de beschikking, houdende het uitspreken van de noodregeling, uitvoerbaar is geworden;
b. een beroep op schuldvergelijking kan in afwijking van artikel 49 van de Faillissementswet BES slechts worden gedaan indien de schuldvordering en de schuldplichtigheid beide zijn ontstaan voor het tijdstip waarop de beschikking, houdende het uitspreken van de noodregeling uitvoerbaar is geworden dan wel voortvloeien uit een handeling voor dat tijdstip met de gefailleerde verricht;
c. handelingen, ingevolge artikel 63 door of namens de Bank verricht gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, worden beschouwd als handelingen van de curator, terwijl boedelschulden, gedurende die tijd ontstaan, ook in het faillissement als boedelschulden zullen gelden;
d. de boedel is niet aansprakelijk voor verbintenissen van de verzekeraar die in strijd met artikel 63, eerste en vierde lid, zijn aangegaan gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, dan voor zover deze daardoor is gebaat;
e. vorderingen uit overeenkomsten van levensverzekering kunnen in afwijking van artikel 105, eerste lid, van de Faillissementswet BES worden ingediend door overlegging van de polis of een afschrift daarvan, zonder dat het bedrag van de vordering behoeft te worden vermeld. Voor zover de curator de vordering erkent, stelt hij de omvang daarvan vast.
- Citeren als
- Art. 71
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028495
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl