BWBR0025605
Geldig vanaf 2024-09-13
Artikel 6e
Regeling periodieke registratie Wet BIG
1. Voor het beroep van psychotherapeut gelden de volgende kerncompetenties en kernvaardigheden:
a. het stellen van een psychodiagnose op basis van een psychodiagnostisch onderzoek;
b. het stellen van een indicatie voor psychotherapie;
c. het opstellen van een behandelplan voor psychotherapie;
d. het zelfstandig uitvoeren van een psychotherapeutische behandeling;
e. het evalueren van de psychotherapeutische behandeling.
2. Het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de psychotherapeut in staat is om op basis van verzamelde gegevens over de zorgvraag en de wensen van de cliënt en door middel van anamnese en diagnostiek, de problematiek van de cliënt in kaart te brengen.
3. Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de psychotherapeut in staat is om, op basis van de uitkomst van het diagnostisch onderzoek, de meest in aanmerking komende vorm van psychotherapeutische behandeling voor de cliënt te bepalen.
4. Het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de psychotherapeut in staat is om, op basis van de diagnostiek en de indicatiestelling, in overleg met de cliënt, gezamenlijke doelstellingen van de behandeling te formuleren.
5. Het in het eerste lid, onderdeel d, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de psychotherapeut in staat is om psychotherapeutische methoden systematisch toe te passen en door middel van psychotherapeutische interventies, de stemming, cognities of gedragingen van de cliënt te beïnvloeden.
6. Het in het eerste lid, onderdeel e, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de psychotherapeut in staat is om periodiek de effecten van de psychotherapeutische behandelingen op de psychische gezondheidstoestand van de cliënt te evalueren en het behandelplan zodanig bij te stellen dat optimale resultaten bereikt kunnen worden.
a. het stellen van een psychodiagnose op basis van een psychodiagnostisch onderzoek;
b. het stellen van een indicatie voor psychotherapie;
c. het opstellen van een behandelplan voor psychotherapie;
d. het zelfstandig uitvoeren van een psychotherapeutische behandeling;
e. het evalueren van de psychotherapeutische behandeling.
2. Het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de psychotherapeut in staat is om op basis van verzamelde gegevens over de zorgvraag en de wensen van de cliënt en door middel van anamnese en diagnostiek, de problematiek van de cliënt in kaart te brengen.
3. Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de psychotherapeut in staat is om, op basis van de uitkomst van het diagnostisch onderzoek, de meest in aanmerking komende vorm van psychotherapeutische behandeling voor de cliënt te bepalen.
4. Het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de psychotherapeut in staat is om, op basis van de diagnostiek en de indicatiestelling, in overleg met de cliënt, gezamenlijke doelstellingen van de behandeling te formuleren.
5. Het in het eerste lid, onderdeel d, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de psychotherapeut in staat is om psychotherapeutische methoden systematisch toe te passen en door middel van psychotherapeutische interventies, de stemming, cognities of gedragingen van de cliënt te beïnvloeden.
6. Het in het eerste lid, onderdeel e, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de psychotherapeut in staat is om periodiek de effecten van de psychotherapeutische behandelingen op de psychische gezondheidstoestand van de cliënt te evalueren en het behandelplan zodanig bij te stellen dat optimale resultaten bereikt kunnen worden.