BWBR0025605
Geldig vanaf 2024-09-13
Artikel 5
Regeling periodieke registratie Wet BIG
1. Voor het beroep van verloskundige gelden de volgende kerncompetenties en kernvaardigheden:
a. diagnose stellen op basis van afgenomen anamnese en verricht verloskundig onderzoek;
b. opstellen van een behandelplan en bepalen verloskundig beleid;
c. verlenen van verloskundige zorg;
d. evalueren en vastleggen van verloskundige zorg.
2. Het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde aspect is zodanig ingericht dat de verloskundige in staat is om een anamnese af te nemen op basis van de zorgvraag, op methodische wijze de gezondheidstoestand dan wel de dreigende of reeds bestaande gezondheidsproblemen van een vrouw in kaart te brengen en op grond van de verzamelde informatie en eventueel lichamelijk onderzoek een diagnose te stellen.
3. Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde aspect is zodanig ingericht dat de verloskundige in staat is om, op grond van de resultaten van onderzoek en bevindingen, problemen en risico’s met betrekking tot de vrouw te inventariseren en om in samenspraak met haar besluiten te nemen over de in te stellen behandeling, dan wel advies of voorlichting te geven dan wel te verwijzen naar een andere zorgverlener.
De verloskundige stelt een behandelplan op, bespreekt dat met de vrouw en consulteert of verwijst zo nodig naar andere deskundigen.
4. Het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde aspect is zodanig ingericht dat de verloskundige in staat is om, op methodische wijze en in samenwerking met de vrouw, verloskundige zorg te verlenen, de vrouw te begeleiden en het behandelplan naar de laatste stand van de kennis uit te voeren.
5. Het in het eerste lid, onderdeel d, genoemde aspect is zodanig ingericht dat de verloskundige in staat is om periodiek de effecten van de zorginterventies op de gezondheidstoestand van de vrouw te evalueren en het behandelplan zodanig bij te stellen dat optimale resultaten bereikt kunnen worden.
a. diagnose stellen op basis van afgenomen anamnese en verricht verloskundig onderzoek;
b. opstellen van een behandelplan en bepalen verloskundig beleid;
c. verlenen van verloskundige zorg;
d. evalueren en vastleggen van verloskundige zorg.
2. Het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde aspect is zodanig ingericht dat de verloskundige in staat is om een anamnese af te nemen op basis van de zorgvraag, op methodische wijze de gezondheidstoestand dan wel de dreigende of reeds bestaande gezondheidsproblemen van een vrouw in kaart te brengen en op grond van de verzamelde informatie en eventueel lichamelijk onderzoek een diagnose te stellen.
3. Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde aspect is zodanig ingericht dat de verloskundige in staat is om, op grond van de resultaten van onderzoek en bevindingen, problemen en risico’s met betrekking tot de vrouw te inventariseren en om in samenspraak met haar besluiten te nemen over de in te stellen behandeling, dan wel advies of voorlichting te geven dan wel te verwijzen naar een andere zorgverlener.
De verloskundige stelt een behandelplan op, bespreekt dat met de vrouw en consulteert of verwijst zo nodig naar andere deskundigen.
4. Het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde aspect is zodanig ingericht dat de verloskundige in staat is om, op methodische wijze en in samenwerking met de vrouw, verloskundige zorg te verlenen, de vrouw te begeleiden en het behandelplan naar de laatste stand van de kennis uit te voeren.
5. Het in het eerste lid, onderdeel d, genoemde aspect is zodanig ingericht dat de verloskundige in staat is om periodiek de effecten van de zorginterventies op de gezondheidstoestand van de vrouw te evalueren en het behandelplan zodanig bij te stellen dat optimale resultaten bereikt kunnen worden.