BWBR0025605
Geldig vanaf 2024-09-13
Artikel 6b
Regeling periodieke registratie Wet BIG
1. Voor het beroep van tandarts gelden de volgende kerncompetenties en kernvaardigheden:
a. het stellen van een diagnose op basis van algemene anamnese;
b. het opstellen van een behandelplan;
c. het uitvoeren van preventieve en curatieve behandelingen;
d. het evalueren en vastleggen van tandheelkundige zorg.
2. Het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de tandarts in staat is op methodische wijze de toestand dan wel de dreigende of reeds bestaande klachten van een cliënt in kaart te brengen en op grond van de verzamelde informatie, een mondonderzoek of röntgenonderzoek, een diagnose te stellen.
3. Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de tandarts in staat is om op basis van de diagnose de tandheelkundige behandeling te bepalen die het beste tegemoet komt aan de bevordering van de mondgezondheid van de cliënt.
4. Het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de tandarts in staat is om:
a. op methodische wijze en in samenwerking met de cliënt, aan de hand van een behandelplan, tandheelkundige zorg te verlenen en het behandelplan naar de laatste stand van kennis uit te voeren;
b. advies of voorlichting te geven dan wel de cliënt te verwijzen naar een andere zorgverlener.
5. De in het eerste lid, onderdeel d, genoemde aspecten worden zodanig ingericht dat de tandarts in staat is om periodiek de effecten van zorginterventies op de gezondheidstoestand van de cliënt te evalueren en het behandelplan zodanig bij te stellen dat optimale resultaten bereikt kunnen worden.
a. het stellen van een diagnose op basis van algemene anamnese;
b. het opstellen van een behandelplan;
c. het uitvoeren van preventieve en curatieve behandelingen;
d. het evalueren en vastleggen van tandheelkundige zorg.
2. Het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de tandarts in staat is op methodische wijze de toestand dan wel de dreigende of reeds bestaande klachten van een cliënt in kaart te brengen en op grond van de verzamelde informatie, een mondonderzoek of röntgenonderzoek, een diagnose te stellen.
3. Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de tandarts in staat is om op basis van de diagnose de tandheelkundige behandeling te bepalen die het beste tegemoet komt aan de bevordering van de mondgezondheid van de cliënt.
4. Het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de tandarts in staat is om:
a. op methodische wijze en in samenwerking met de cliënt, aan de hand van een behandelplan, tandheelkundige zorg te verlenen en het behandelplan naar de laatste stand van kennis uit te voeren;
b. advies of voorlichting te geven dan wel de cliënt te verwijzen naar een andere zorgverlener.
5. De in het eerste lid, onderdeel d, genoemde aspecten worden zodanig ingericht dat de tandarts in staat is om periodiek de effecten van zorginterventies op de gezondheidstoestand van de cliënt te evalueren en het behandelplan zodanig bij te stellen dat optimale resultaten bereikt kunnen worden.