BWBR0024823
Geldig vanaf 10-12-2008
Artikel 20
Besluit tijdelijk financieel toezicht Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten
1. De besturen gaan uitsluitend financiële verplichtingen aan voor zover deze zijn opgenomen in een begroting die niet ingevolge artikel 13 is opgeschort.
2. De besturen leggen het voornemen tot het aangaan van een financiële verplichting, voor zover het de limieten voor financieel zelfbeheer, zoals die gelden met ingang van 1 januari 2008, te boven gaat, voor advies voor aan de directeur Financiën van het Land, respectievelijk de hoofden Financiën van de eilandgebieden of, bij hun afwezigheid, aan hun eerste of tweede plaatsvervanger. Een positief advies wordt verleend indien de financiële verplichting voortvloeit uit de uitvoering van de begroting. De in de eerste volzin bedoelde limieten kunnen na overleg met het college gewijzigd worden.
3. Als het bestuur een financiële verplichting aangaat zonder of in afwijking van een positief advies, als bedoeld in het tweede lid, deelt het bestuur dat terstond mee aan het college.
4. Het college kan de raad van ministers van het Koninkrijk door tussenkomst van Onze Minister berichten als blijkt dat een bestuur een financiële verplichting is aangegaan zonder of in afwijking van een positief advies als bedoeld in het tweede lid. Bij dat bericht kan het college adviseren tot het geven van een aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid. Gelijk met dat advies zendt het college een afschrift daarvan aan het betreffende bestuur en bericht het betrokken vertegenwoordigend orgaan dat het advies is verzonden.
5. Op een advies als bedoeld in het vierde lid, kan de raad van ministers van het Koninkrijk beslissen dat ten laste van de desbetreffende begroting of bepaalde artikelen van die begroting geen financiële verplichtingen mogen worden aangegaan voordat het college daarmee heeft ingestemd. Alvorens een voorstel voor een aanwijzing bij de raad van ministers van het Koninkrijk wordt ingediend stelt Onze Minister het betrokken bestuur in de gelegenheid zijn visie te geven.
6. De aanwijzing geschiedt bij koninklijk besluit op de voordracht van Onze Minister.
7. De instemming, bedoeld in het vijfde lid, wordt verleend als de betreffende financiële verplichting voldoet aan het eerste lid.
8. In geval van het aangaan van financiële verplichtingen en het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen waartoe door een vertegenwoordigend orgaan is besloten, is dit artikel van overeenkomstige toepassing.
2. De besturen leggen het voornemen tot het aangaan van een financiële verplichting, voor zover het de limieten voor financieel zelfbeheer, zoals die gelden met ingang van 1 januari 2008, te boven gaat, voor advies voor aan de directeur Financiën van het Land, respectievelijk de hoofden Financiën van de eilandgebieden of, bij hun afwezigheid, aan hun eerste of tweede plaatsvervanger. Een positief advies wordt verleend indien de financiële verplichting voortvloeit uit de uitvoering van de begroting. De in de eerste volzin bedoelde limieten kunnen na overleg met het college gewijzigd worden.
3. Als het bestuur een financiële verplichting aangaat zonder of in afwijking van een positief advies, als bedoeld in het tweede lid, deelt het bestuur dat terstond mee aan het college.
4. Het college kan de raad van ministers van het Koninkrijk door tussenkomst van Onze Minister berichten als blijkt dat een bestuur een financiële verplichting is aangegaan zonder of in afwijking van een positief advies als bedoeld in het tweede lid. Bij dat bericht kan het college adviseren tot het geven van een aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid. Gelijk met dat advies zendt het college een afschrift daarvan aan het betreffende bestuur en bericht het betrokken vertegenwoordigend orgaan dat het advies is verzonden.
5. Op een advies als bedoeld in het vierde lid, kan de raad van ministers van het Koninkrijk beslissen dat ten laste van de desbetreffende begroting of bepaalde artikelen van die begroting geen financiële verplichtingen mogen worden aangegaan voordat het college daarmee heeft ingestemd. Alvorens een voorstel voor een aanwijzing bij de raad van ministers van het Koninkrijk wordt ingediend stelt Onze Minister het betrokken bestuur in de gelegenheid zijn visie te geven.
6. De aanwijzing geschiedt bij koninklijk besluit op de voordracht van Onze Minister.
7. De instemming, bedoeld in het vijfde lid, wordt verleend als de betreffende financiële verplichting voldoet aan het eerste lid.
8. In geval van het aangaan van financiële verplichtingen en het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen waartoe door een vertegenwoordigend orgaan is besloten, is dit artikel van overeenkomstige toepassing.
- Citeren als
- Art. 20
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0024823
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl