BWBR0024197
Geldig vanaf 2008-07-19
Artikel 6
Regeling uitkering substantieel bezwarende functies 2006
1. De betrokkene die is geboren in de periode vanaf 1 januari 1950 tot en met 31 december 1964, wordt in verband met ontslag uit een functie als bedoeld in artikel 97, tweede lid, Algemeen Rijksambtenarenreglementverlof verleend op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de onderstaande leeftijden wordt bereikt. Tijdens dit verlof bestaat recht op een uitkering van 80% van de bezoldiging.
[tabel]
2. Indien het verlof op verzoek van de betrokkene later ingaat wordt de uitkering verhoogd volgens onderstaande tabel.
[tabel]
3. Het verlof, bedoeld in het eerste lid, kan op verzoek van de betrokkene worden verleend op de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. In dat geval wordt de uitkering verlaagd volgens onderstaande tabel.
[tabel]
4. De in het eerste tot en met derde lid bedoelde uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop de betrokkene met het totaal van zijn recht op extra opbouw ouderdomspensioen, zijn recht op inkoop aanspraken ouderdomspensioen en zijn aanspraken op grond van overgangsbepaling A bij hoofdstuk 6 van het pensioenreglement in staat is een pensioenuitkering te financieren tot de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt waarvan de hoogte gelijk is aan die van zijn uitkering.
5. Voor de toepassing van de artikelen 2, eerste en derde lid, 3, eerste lid, 9, en 10, eerste, derde en vierde lid, wordt onder ontslag mede verstaan het verlof als bedoeld in dit artikel.
[tabel]
2. Indien het verlof op verzoek van de betrokkene later ingaat wordt de uitkering verhoogd volgens onderstaande tabel.
[tabel]
3. Het verlof, bedoeld in het eerste lid, kan op verzoek van de betrokkene worden verleend op de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. In dat geval wordt de uitkering verlaagd volgens onderstaande tabel.
[tabel]
4. De in het eerste tot en met derde lid bedoelde uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop de betrokkene met het totaal van zijn recht op extra opbouw ouderdomspensioen, zijn recht op inkoop aanspraken ouderdomspensioen en zijn aanspraken op grond van overgangsbepaling A bij hoofdstuk 6 van het pensioenreglement in staat is een pensioenuitkering te financieren tot de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt waarvan de hoogte gelijk is aan die van zijn uitkering.
5. Voor de toepassing van de artikelen 2, eerste en derde lid, 3, eerste lid, 9, en 10, eerste, derde en vierde lid, wordt onder ontslag mede verstaan het verlof als bedoeld in dit artikel.