BWBR0024197
Geldig vanaf 2008-07-19
Artikel 10
Regeling uitkering substantieel bezwarende functies 2006
1. De uitkering wordt verminderd met de inkomsten die de betrokkene geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de dag van het ontslag, voor zover de uitkering vermeerderd met de inkomsten de bezoldiging overschrijdt. De inkomsten worden met de uitkering verrekend over het jaar waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
2. Indien het bedrag van de uitkering is verminderd op grond van artikel 8, eerste lid, vindt de in het eerste lid bedoelde vermindering slechts plaats voor zover die inkomsten, samen met de verminderde uitkering, het flexibel pensioen krachtens het pensioenreglement en de uitkering krachtens het Reglement FPU, de bezoldiging overschrijden.
3. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf ter hand genomen gedurende non-activiteit of verlof anders dan bedoeld in artikel 1, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de uitkering is toegekend.
4. Wanneer de betrokkene enige arbeid of bedrijf ter hand heeft genomen vóór de dag van het ontslag, en na die dag uit die arbeid of dat bedrijf inkomsten of meer inkomsten gaat genieten, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, tenzij de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten of vermeerdering van inkomsten of een gedeelte daarvan niet het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid en geen verband houden met het ontslag.
2. Indien het bedrag van de uitkering is verminderd op grond van artikel 8, eerste lid, vindt de in het eerste lid bedoelde vermindering slechts plaats voor zover die inkomsten, samen met de verminderde uitkering, het flexibel pensioen krachtens het pensioenreglement en de uitkering krachtens het Reglement FPU, de bezoldiging overschrijden.
3. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf ter hand genomen gedurende non-activiteit of verlof anders dan bedoeld in artikel 1, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de uitkering is toegekend.
4. Wanneer de betrokkene enige arbeid of bedrijf ter hand heeft genomen vóór de dag van het ontslag, en na die dag uit die arbeid of dat bedrijf inkomsten of meer inkomsten gaat genieten, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, tenzij de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten of vermeerdering van inkomsten of een gedeelte daarvan niet het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid en geen verband houden met het ontslag.