BWBR0024197
Geldig vanaf 2008-07-19
Artikel 13
Regeling uitkering substantieel bezwarende functies 2006
1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend wordt aan de weduwe of weduwnaar, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een overlijdensuitkering uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden.
2. Indien op de uitkering een vermindering werd toegepast krachtens de artikelen 8, 9of 10dan is de in het eerste lid bedoelde overlijdensuitkering gelijk aan het bedrag van de uitkering die de betrokkene op de dag van het overlijden ontving, over een tijdvak van drie maanden.
3. In dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven levenspartner met wie de niet-gehuwde betrokkene samenwoonde en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voerde op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding alsmede de achtergebleven geregistreerde partner.
4. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als weduwe of weduwnaar worden aangemerkt.
5. De Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in het derde lid, is gesloten.
6. Laat de overledene geen weduwe of geen weduwnaar als bedoeld in het eerste lid na, dan geschiedt de in het eerste lid bedoelde overlijdensuitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg.
7. Onder pleegouderlijke zorg, bedoeld in het zesde lid, wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als ware het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.
8. Indien ook de kinderen als bedoeld in het zesde lid ontbreken, dan geschiedt de in het eerste lid bedoelde overlijdensuitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de inkomsten van de overledene.
9. Op de overlijdensuitkering als bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen ambtenaar terzake van diens overlijden aanspraak kunnen maken krachtens artikel 102 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
10. Laat de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste, zesde en achtste lid na, dan kan de overlijdensuitkering geheel of ten dele worden uitgekeerd ten behoeve van de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
2. Indien op de uitkering een vermindering werd toegepast krachtens de artikelen 8, 9of 10dan is de in het eerste lid bedoelde overlijdensuitkering gelijk aan het bedrag van de uitkering die de betrokkene op de dag van het overlijden ontving, over een tijdvak van drie maanden.
3. In dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven levenspartner met wie de niet-gehuwde betrokkene samenwoonde en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voerde op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding alsmede de achtergebleven geregistreerde partner.
4. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als weduwe of weduwnaar worden aangemerkt.
5. De Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in het derde lid, is gesloten.
6. Laat de overledene geen weduwe of geen weduwnaar als bedoeld in het eerste lid na, dan geschiedt de in het eerste lid bedoelde overlijdensuitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg.
7. Onder pleegouderlijke zorg, bedoeld in het zesde lid, wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als ware het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.
8. Indien ook de kinderen als bedoeld in het zesde lid ontbreken, dan geschiedt de in het eerste lid bedoelde overlijdensuitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de inkomsten van de overledene.
9. Op de overlijdensuitkering als bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen ambtenaar terzake van diens overlijden aanspraak kunnen maken krachtens artikel 102 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
10. Laat de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste, zesde en achtste lid na, dan kan de overlijdensuitkering geheel of ten dele worden uitgekeerd ten behoeve van de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.