BWBR0021981
Geldig vanaf 2007-06-06
Artikel 20
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit Inspectie Werk en Inkomen 2007
1. Elk van de directeuren is bevoegd om namens een bewindspersoon dan wel de inspecteur-generaal besluiten te nemen, overeenkomsten aan te gaan en handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, voor zover zij verband houden met het werkterrein van zijn directie en de onder hem ressorterende stafafdelingen, tenzij deze zijn voorbehouden aan een bewindspersoon, de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal of de inspecteur-generaal.
2. De bevoegdheden van de directeuren, bedoeld in het eerste lid, omvatten in elk geval mandaat en machtiging ten aanzien van:
a. de in artikel 3, onderdeel e, genoemde personeelsaangelegenheden;
b. de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover deze betrekking hebben op gedragingen van de onder elk van hen ressorterende functionarissen.
3. De in het eerste lid genoemde bevoegdheid omvat voorts de bevoegdheid tot het nemen van dwangsombesluiten die verband houden met het niet tijdig afdoen van een besluit, voor zover dit betrekking heeft op hun eigen verantwoordelijkheden.
4. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden van de directeur Toezicht gemeenten omvatten mede mandaat, volmacht en machtiging ten aanzien van:
a. het in artikel 4, onderdeel c, bedoelde personeelsbeleid van de Inspectie;
b. de in artikel 4, onderdeel d, genoemde personeelsaangelegenheden.
5. De in het eerste lid genoemde bevoegdheid om overeenkomsten aan te gaan is beperkt tot overeenkomsten met een waarde van ten hoogste € 20.000,– per overeenkomst, met dien verstande dat de volgende overeenkomsten mogen worden aangegaan tot een waarde per overeenkomst van ten hoogste de laagste drempel voor aanbesteding conform de Europese aanbestedingsrichtlijnen:
a. overeenkomsten die voortvloeien uit het jaarplan van de Inspectie;
b. overeenkomsten voor het opleiden van de medewerkers van de directie, voor zover deze voortvloeien uit een door de inspecteur-generaal vastgesteld opleidingsplan;
c. arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht.
2. De bevoegdheden van de directeuren, bedoeld in het eerste lid, omvatten in elk geval mandaat en machtiging ten aanzien van:
a. de in artikel 3, onderdeel e, genoemde personeelsaangelegenheden;
b. de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover deze betrekking hebben op gedragingen van de onder elk van hen ressorterende functionarissen.
3. De in het eerste lid genoemde bevoegdheid omvat voorts de bevoegdheid tot het nemen van dwangsombesluiten die verband houden met het niet tijdig afdoen van een besluit, voor zover dit betrekking heeft op hun eigen verantwoordelijkheden.
4. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden van de directeur Toezicht gemeenten omvatten mede mandaat, volmacht en machtiging ten aanzien van:
a. het in artikel 4, onderdeel c, bedoelde personeelsbeleid van de Inspectie;
b. de in artikel 4, onderdeel d, genoemde personeelsaangelegenheden.
5. De in het eerste lid genoemde bevoegdheid om overeenkomsten aan te gaan is beperkt tot overeenkomsten met een waarde van ten hoogste € 20.000,– per overeenkomst, met dien verstande dat de volgende overeenkomsten mogen worden aangegaan tot een waarde per overeenkomst van ten hoogste de laagste drempel voor aanbesteding conform de Europese aanbestedingsrichtlijnen:
a. overeenkomsten die voortvloeien uit het jaarplan van de Inspectie;
b. overeenkomsten voor het opleiden van de medewerkers van de directie, voor zover deze voortvloeien uit een door de inspecteur-generaal vastgesteld opleidingsplan;
c. arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht.