BWBR0021981
Geldig vanaf 2007-06-06
Artikel 11
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit Inspectie Werk en Inkomen 2007
De directie Toezicht gemeenten is verantwoordelijk voor:
a. het houden van toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering door gemeenten van de WWB, het Bbz, de IOAW en de IOAZ en op de doeltreffendheid van die wet- en regelgeving, zoals bedoeld in artikel 37, onderdeel b, onder 1° en 2°, van de wet;
b. het houden van toezicht op de rechtmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering door gemeenten van de WSW en de Wwik en de doeltreffendheid van die wetten;
c. het ontwikkelen en uitvoeren van het bij de Inspectie belegde deel van het project Integraal Toezicht Jeugdzaken van de daarin samenwerkende rijksinspecties;
d. het rapporteren over de resultaten en kwaliteit van de uitvoering, bedoeld in de onderdelen a en b, en over de werkzaamheden, bedoeld in onderdeel c;
e. het opstellen van een oordeel over mogelijke risico’s voor de kwaliteit van de uitvoering, bedoeld in de onderdelen a, b en c;
f. het inbrengen van kennis van de uitvoeringspraktijk in de beleidsvorming door het Ministerie;
g. het relatiebeheer met de uitvoerende instanties binnen het gemeentelijk domein en hun vertegenwoordigende organisaties, en met de instanties, bedoeld in onderdeel c.
a. het houden van toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering door gemeenten van de WWB, het Bbz, de IOAW en de IOAZ en op de doeltreffendheid van die wet- en regelgeving, zoals bedoeld in artikel 37, onderdeel b, onder 1° en 2°, van de wet;
b. het houden van toezicht op de rechtmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering door gemeenten van de WSW en de Wwik en de doeltreffendheid van die wetten;
c. het ontwikkelen en uitvoeren van het bij de Inspectie belegde deel van het project Integraal Toezicht Jeugdzaken van de daarin samenwerkende rijksinspecties;
d. het rapporteren over de resultaten en kwaliteit van de uitvoering, bedoeld in de onderdelen a en b, en over de werkzaamheden, bedoeld in onderdeel c;
e. het opstellen van een oordeel over mogelijke risico’s voor de kwaliteit van de uitvoering, bedoeld in de onderdelen a, b en c;
f. het inbrengen van kennis van de uitvoeringspraktijk in de beleidsvorming door het Ministerie;
g. het relatiebeheer met de uitvoerende instanties binnen het gemeentelijk domein en hun vertegenwoordigende organisaties, en met de instanties, bedoeld in onderdeel c.