BWBR0021823
Geldig vanaf 2007-05-11
Artikel 2
Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland
1. De Minister verstrekt subsidie aan de stichting ten behoeve van het, onder de in deze regeling opgenomen voorwaarden, uitoefenen van het beheer van door de overheid geheel of gedeeltelijk gesubsidieerde activiteiten en voorzieningen van Nederlands onderwijs in het buitenland. Daarbij worden de volgende hoofdtaken onderscheiden:
a. het ondersteunen van Nederlandse onderwijsvoorzieningen in het buitenland waaronder begrepen het ondersteunen van de totstandkoming en de uitvoering van onderwijs op afstand;
b. overige activiteiten ten aanzien van specifieke instellingen als bedoeld in de artikelen 14 tot en met 17 met dien verstande, dat dit geschiedt met inachtneming van het Statuut voor de Europese scholen, voor zover het activiteiten betreft van de Europese scholen;
c. het in opdracht van de Minister uitvoeren van werkzaamheden ter ondersteuning van de Minister of diens vertegenwoordiger bij de vervulling van zijn taak in de Raad van Bestuur voor de Europese Scholen.
2. De in het eerste lid, onder a en b bedoelde activiteiten zijn, met het oog op terugkeer in en aansluiting bij het onderwijs in Nederland en Vlaanderen, primair bedoeld voor Nederlandse en Belgische staatsburgers die in het buitenland verkeren.
3. De activiteiten bedoeld in het eerste lid, onder a zijn in beginsel gericht op:
1e. basisonderwijs: kinderen in de leeftijdsgroep van 4 tot en met uiterlijk het schooljaar waarin de leerling de leeftijd van 14 jaar bereikt, dan wel:
2e. voortgezet onderwijs: kinderen in de leeftijdsgroep van 12 tot en met 18 jaar.
4. De stichting draagt tevens zorg voor toegankelijkheid van de onderwijsvoorzieningen voor leerlingen uit de Europese Unie, mits zij Nederlandstalig zijn en maakt dit tot een voorwaarde voor het verstrekken van subsidie aan de onderwijsvoorzieningen.
a. het ondersteunen van Nederlandse onderwijsvoorzieningen in het buitenland waaronder begrepen het ondersteunen van de totstandkoming en de uitvoering van onderwijs op afstand;
b. overige activiteiten ten aanzien van specifieke instellingen als bedoeld in de artikelen 14 tot en met 17 met dien verstande, dat dit geschiedt met inachtneming van het Statuut voor de Europese scholen, voor zover het activiteiten betreft van de Europese scholen;
c. het in opdracht van de Minister uitvoeren van werkzaamheden ter ondersteuning van de Minister of diens vertegenwoordiger bij de vervulling van zijn taak in de Raad van Bestuur voor de Europese Scholen.
2. De in het eerste lid, onder a en b bedoelde activiteiten zijn, met het oog op terugkeer in en aansluiting bij het onderwijs in Nederland en Vlaanderen, primair bedoeld voor Nederlandse en Belgische staatsburgers die in het buitenland verkeren.
3. De activiteiten bedoeld in het eerste lid, onder a zijn in beginsel gericht op:
1e. basisonderwijs: kinderen in de leeftijdsgroep van 4 tot en met uiterlijk het schooljaar waarin de leerling de leeftijd van 14 jaar bereikt, dan wel:
2e. voortgezet onderwijs: kinderen in de leeftijdsgroep van 12 tot en met 18 jaar.
4. De stichting draagt tevens zorg voor toegankelijkheid van de onderwijsvoorzieningen voor leerlingen uit de Europese Unie, mits zij Nederlandstalig zijn en maakt dit tot een voorwaarde voor het verstrekken van subsidie aan de onderwijsvoorzieningen.