BWBR0021823
Geldig vanaf 2007-05-11
Artikel 19
Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland
1. Binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarvoor subsidie is verleend, dient de stichting bij de minister ten behoeve van de subsidievaststelling een jaarverslag in, bestaande uit een financieel verslag en een activiteitenverslag. Uit het jaarverslag blijkt in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee behaalde resultaten, alsmede van een doelmatige aanwending van de subsidie.
2. Het jaarverslag bestaat in ieder geval uit:
a. een balans per eind van het kalenderjaar,
b. een exploitatierekening over het kalenderjaar,
c. een toelichting op balans en exploitatierekening,
d. een bestuursverslag.
e. een definitieve opgave van het leerlingaantal en aantal formatieplaatsen.
3. Uit het jaarverslag dient een verantwoord inzicht te worden verkregen in
a. de grootte en samenstelling van het vermogen,
b. de grootte en samenstelling van het resultaat,
c. de solvabiliteit en liquiditeit.
4. Het activiteitenverslag bevat een overzicht van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend en van de daarmee behaalde resultaten. Afschrift van dit verslag wordt gezonden aan de toezichthouders.
5. De minister kan een model vaststellen voor het jaarverslag en de begroting.
6. Niet bestede middelen worden verrekend bij de eerstvolgende betaling.
2. Het jaarverslag bestaat in ieder geval uit:
a. een balans per eind van het kalenderjaar,
b. een exploitatierekening over het kalenderjaar,
c. een toelichting op balans en exploitatierekening,
d. een bestuursverslag.
e. een definitieve opgave van het leerlingaantal en aantal formatieplaatsen.
3. Uit het jaarverslag dient een verantwoord inzicht te worden verkregen in
a. de grootte en samenstelling van het vermogen,
b. de grootte en samenstelling van het resultaat,
c. de solvabiliteit en liquiditeit.
4. Het activiteitenverslag bevat een overzicht van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend en van de daarmee behaalde resultaten. Afschrift van dit verslag wordt gezonden aan de toezichthouders.
5. De minister kan een model vaststellen voor het jaarverslag en de begroting.
6. Niet bestede middelen worden verrekend bij de eerstvolgende betaling.