BWBR0021823
Geldig vanaf 2007-05-11
Artikel 18
Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland
1. De stichting dient jaarlijks uiterlijk 15 december van enig kalenderjaar een aanvraag in tot subsidieverlening voor het daaropvolgende kalenderjaar.
2. De subsidieaanvraag bevat in ieder geval een opgave van het aantal leerlingen en formatieplaatsen op peildatum 1 oktober van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan.
3. Een leerling kan slechts op één onderwijsvoorziening voor bepaling van de subsidiegrondslag worden meegeteld.
4. De minister besluit uiterlijk 15 januari van enig kalenderjaar op de aanvraag tot subsidieverlening voor het desbetreffende kalenderjaar.
5. De subsidie wordt betaald in maandelijkse termijnen, met dien verstande dat voor 1 april van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft, tenminste 80% van de subsidie is betaald.
6. De stichting doet jaarlijks aan de minister voor 31 juli een aangepaste opgave van het aantal leerlingen en formatieplaatsen op basis van peildatum 1 oktober van het daaraan voorafgaande kalenderjaar en op basis van de peildatum 1 maart van het desbetreffende kalenderjaar voor zover het betreft de subsidie ten behoeve van het Nederlands Astma Centrum in Davos.
7. De stichting gebruikt voor de opgave, bedoeld in het tweede en zesde lid, het Rekenmodel Subsidiebepaling NOB.
8. In de maand september van enig kalenderjaar wordt de hoogte van de subsidie die voor het desbetreffende kalenderjaar is verleend, bijgesteld op grond van de in het zesde lid bedoelde opgave van het aantal leerlingen en formatieplaatsen.
2. De subsidieaanvraag bevat in ieder geval een opgave van het aantal leerlingen en formatieplaatsen op peildatum 1 oktober van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan.
3. Een leerling kan slechts op één onderwijsvoorziening voor bepaling van de subsidiegrondslag worden meegeteld.
4. De minister besluit uiterlijk 15 januari van enig kalenderjaar op de aanvraag tot subsidieverlening voor het desbetreffende kalenderjaar.
5. De subsidie wordt betaald in maandelijkse termijnen, met dien verstande dat voor 1 april van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft, tenminste 80% van de subsidie is betaald.
6. De stichting doet jaarlijks aan de minister voor 31 juli een aangepaste opgave van het aantal leerlingen en formatieplaatsen op basis van peildatum 1 oktober van het daaraan voorafgaande kalenderjaar en op basis van de peildatum 1 maart van het desbetreffende kalenderjaar voor zover het betreft de subsidie ten behoeve van het Nederlands Astma Centrum in Davos.
7. De stichting gebruikt voor de opgave, bedoeld in het tweede en zesde lid, het Rekenmodel Subsidiebepaling NOB.
8. In de maand september van enig kalenderjaar wordt de hoogte van de subsidie die voor het desbetreffende kalenderjaar is verleend, bijgesteld op grond van de in het zesde lid bedoelde opgave van het aantal leerlingen en formatieplaatsen.