BWBR0020871
Geldig vanaf 2018-12-06
Artikel 32
Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van <a href="/wet/BWBR0020809" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk 7 van de Pensioenwet</a>en <a href="/wet/BWBR0018831" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk 6 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling</a>alsmede met inachtneming van <a href="/wet/BWBR0003045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek</a>en de internationale standaarden voor jaarrekeningen die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van toepassing zijn verklaard overeenkomstig artikel 3 van verordening (EG) Nr. 1606/2002van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 (PbEG L 243), regels met betrekking tot de te verstrekken gegevens, bedoeld in artikel 30. Deze omvatten uitsluitend:
a. de modellen waarin de gegevens worden verstrekt;
b. de reikwijdte en de mate van detaillering van de te verstrekken gegevens; deze omvatten geen uitbreiding of nadere rubricering van de in artikel 30 geduide gegevens;
c. de waardering van de posten;
d. de te hanteren valuta en rekeneenheid;
e. de afronding;
f. de termijn waarbinnen de gegevens worden verstrekt; deze is niet korter dan noodzakelijk voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling; en
g. de frequentie waarmee de gegevens worden verstrekt; deze bedraagt minimaal één maal en maximaal twaalf maal per jaar.
a. de modellen waarin de gegevens worden verstrekt;
b. de reikwijdte en de mate van detaillering van de te verstrekken gegevens; deze omvatten geen uitbreiding of nadere rubricering van de in artikel 30 geduide gegevens;
c. de waardering van de posten;
d. de te hanteren valuta en rekeneenheid;
e. de afronding;
f. de termijn waarbinnen de gegevens worden verstrekt; deze is niet korter dan noodzakelijk voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling; en
g. de frequentie waarmee de gegevens worden verstrekt; deze bedraagt minimaal één maal en maximaal twaalf maal per jaar.