BWBR0020871
Geldig vanaf 2018-12-06
Artikel 22b
Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
1. Een fonds legt schriftelijk beleid vast met betrekking tot de actuariële activiteiten en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid. Het fonds evalueert het beleid ten minste driejaarlijks en past het beleid na een belangrijke wijziging zo spoedig mogelijk aan.
2. De actuariële functie, bedoeld in artikel 143a, eerste lid, van de Pensioenwetdan wel artikel 138a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregelingis belast met de volgende actuariële activiteiten:
a. het houden van toezicht op de berekening van de technische voorzieningen;
b. het beoordelen van de betrouwbaarheid en adequaatheid van de berekening van de technische voorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan: 1°. het beoordelen of de bij de berekening van de technische voorzieningen gehanteerde methodieken, onderliggende modellen en aannamen passend zijn;
2°. het beoordelen of er voldoende gegevens worden gebruikt bij de berekening van de technische voorzieningen en het beoordelen van de kwaliteit van die gegevens; en
3°. het toetsen van de bij de berekening van de technische voorzieningen gehanteerde aannames aan de praktijk;
1°. het beoordelen of de bij de berekening van de technische voorzieningen gehanteerde methodieken, onderliggende modellen en aannamen passend zijn;
2°. het beoordelen of er voldoende gegevens worden gebruikt bij de berekening van de technische voorzieningen en het beoordelen van de kwaliteit van die gegevens; en
3°. het toetsen van de bij de berekening van de technische voorzieningen gehanteerde aannames aan de praktijk;
c. het beoordelen van de algehele gedragslijn voor het aangaan van pensioenverplichtingen;
d. het beoordelen van de adequaatheid van de verzekeringsregelingen ingeval het fonds dergelijke verzekeringsregelingen heeft; en
e. het ertoe bijdragen dat het risicobeheer doeltreffend wordt toegepast.
2. De actuariële functie, bedoeld in artikel 143a, eerste lid, van de Pensioenwetdan wel artikel 138a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregelingis belast met de volgende actuariële activiteiten:
a. het houden van toezicht op de berekening van de technische voorzieningen;
b. het beoordelen van de betrouwbaarheid en adequaatheid van de berekening van de technische voorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan: 1°. het beoordelen of de bij de berekening van de technische voorzieningen gehanteerde methodieken, onderliggende modellen en aannamen passend zijn;
2°. het beoordelen of er voldoende gegevens worden gebruikt bij de berekening van de technische voorzieningen en het beoordelen van de kwaliteit van die gegevens; en
3°. het toetsen van de bij de berekening van de technische voorzieningen gehanteerde aannames aan de praktijk;
1°. het beoordelen of de bij de berekening van de technische voorzieningen gehanteerde methodieken, onderliggende modellen en aannamen passend zijn;
2°. het beoordelen of er voldoende gegevens worden gebruikt bij de berekening van de technische voorzieningen en het beoordelen van de kwaliteit van die gegevens; en
3°. het toetsen van de bij de berekening van de technische voorzieningen gehanteerde aannames aan de praktijk;
c. het beoordelen van de algehele gedragslijn voor het aangaan van pensioenverplichtingen;
d. het beoordelen van de adequaatheid van de verzekeringsregelingen ingeval het fonds dergelijke verzekeringsregelingen heeft; en
e. het ertoe bijdragen dat het risicobeheer doeltreffend wordt toegepast.