BWBR0020809
Geldig vanaf 2023-06-03
Artikel 220g
Pensioenwet
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder overgangstijdstip verstaan: het tijdstip waarop de pensioenuitvoerder overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst om te voldoen aan de regels omtrent het nabestaandenpensioen zoals geïntroduceerd met de <a href="/wet/BWBR0048328" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet toekomst pensioenen</a>maar uiterlijk 1 januari 2027.
2. Een persoon die vóór het overgangstijdstip kwalificeerde als partner zoals gedefinieerd in artikel 1, zoals dat artikel luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van <a href="/wet/BWBR0048328/artikel/I" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel I, onderdeel A, van de Wet toekomst pensioenen</a>blijft als partner in de zin van deze wet aangemerkt zo lang de betreffende relatie tussen de persoon en de werknemer of gewezen werknemer wordt voortgezet.
3. Een persoon die voor het overgangstijdstip als partner aanspraakgerechtigde was voor partnerpensioen op opbouwbasis blijft aanspraakgerechtigde voor de tot het overgangstijdstip opgebouwde aanspraak op partnerpensioen, met inachtneming van artikel 57.
4. Een partner of gewezen partner in de zin van de pensioenovereenkomst komt niet in aanmerking voor een partnerpensioen of, zo nodig in afwijking van artikel 57, een bijzonder partnerpensioen op basis van partnerpensioen dat is opgebouwd voor het overgangstijdstip in een pensioenregeling zonder partnerpensioen voor partners in de zin van de pensioenovereenkomst of in een pensioenregeling met een partnerbegrip waaraan deze partner of gewezen partner niet voldeed of zou hebben voldaan.
5. Artikel 16, eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op een wezenpensioen waarvan de ingangsdatum ligt voor het overgangstijdstip of dat is opgebouwd voor het overgangstijdstip.
6. Artikel 55, vierde lid, zoals dat komt te luiden na de inwerkingtreding van <a href="/wet/BWBR0048328/artikel/I" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel I, onderdeel GG, onder 4, van de Wet toekomst pensioenen</a>en artikel 61azijn van toepassing indien het einde van de deelneming ligt vanaf het overgangstijdstip.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
2. Een persoon die vóór het overgangstijdstip kwalificeerde als partner zoals gedefinieerd in artikel 1, zoals dat artikel luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van <a href="/wet/BWBR0048328/artikel/I" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel I, onderdeel A, van de Wet toekomst pensioenen</a>blijft als partner in de zin van deze wet aangemerkt zo lang de betreffende relatie tussen de persoon en de werknemer of gewezen werknemer wordt voortgezet.
3. Een persoon die voor het overgangstijdstip als partner aanspraakgerechtigde was voor partnerpensioen op opbouwbasis blijft aanspraakgerechtigde voor de tot het overgangstijdstip opgebouwde aanspraak op partnerpensioen, met inachtneming van artikel 57.
4. Een partner of gewezen partner in de zin van de pensioenovereenkomst komt niet in aanmerking voor een partnerpensioen of, zo nodig in afwijking van artikel 57, een bijzonder partnerpensioen op basis van partnerpensioen dat is opgebouwd voor het overgangstijdstip in een pensioenregeling zonder partnerpensioen voor partners in de zin van de pensioenovereenkomst of in een pensioenregeling met een partnerbegrip waaraan deze partner of gewezen partner niet voldeed of zou hebben voldaan.
5. Artikel 16, eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op een wezenpensioen waarvan de ingangsdatum ligt voor het overgangstijdstip of dat is opgebouwd voor het overgangstijdstip.
6. Artikel 55, vierde lid, zoals dat komt te luiden na de inwerkingtreding van <a href="/wet/BWBR0048328/artikel/I" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel I, onderdeel GG, onder 4, van de Wet toekomst pensioenen</a>en artikel 61azijn van toepassing indien het einde van de deelneming ligt vanaf het overgangstijdstip.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.