BWBR0020809
Geldig vanaf 2023-06-03
Artikel 117
Pensioenwet
1. Een pensioenfonds kan uitsluitend een vrijwillige pensioenregeling uitvoeren indien dit een aanvulling op een door datzelfde pensioenfonds uitgevoerde basispensioenregeling betreft.
2. Een pensioenfonds kan een fiscaal bovenmatige pensioenregeling uitsluitend uitvoeren als vrijwillige pensioenregeling.
3. Onder een fiscaal bovenmatige pensioenregeling als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan: een pensioenregeling die niet blijft binnen de begrenzingen die zijn opgenomen in de <a href="/wet/BWBR0002471" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstukken IIB</a>en <a href="/wet/BWBR0002471" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">VIII van de Wet op de loonbelasting 1964</a>.
4. Voor de toepassing van het derde lid zijn de <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 3.18, vierde en vijfde lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.95" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3.95, eerste lid, tweede volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>van overeenkomstige toepassing voor zover aan de pensioenregeling wordt deelgenomen door deelnemers die niet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de <a href="/wet/BWBR0002471" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op de loonbelasting 1964</a>.
5. Bij een algemeen pensioenfonds kan de vrijwillige pensioenregeling die in aanvulling op de basispensioenregeling wordt uitgevoerd deel uitmaken van een ander afgescheiden vermogen dan deze basispensioenregeling.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het vijfde lid.
7. De voordracht voor een krachtens het zesde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
2. Een pensioenfonds kan een fiscaal bovenmatige pensioenregeling uitsluitend uitvoeren als vrijwillige pensioenregeling.
3. Onder een fiscaal bovenmatige pensioenregeling als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan: een pensioenregeling die niet blijft binnen de begrenzingen die zijn opgenomen in de <a href="/wet/BWBR0002471" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstukken IIB</a>en <a href="/wet/BWBR0002471" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">VIII van de Wet op de loonbelasting 1964</a>.
4. Voor de toepassing van het derde lid zijn de <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 3.18, vierde en vijfde lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.95" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3.95, eerste lid, tweede volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>van overeenkomstige toepassing voor zover aan de pensioenregeling wordt deelgenomen door deelnemers die niet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de <a href="/wet/BWBR0002471" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op de loonbelasting 1964</a>.
5. Bij een algemeen pensioenfonds kan de vrijwillige pensioenregeling die in aanvulling op de basispensioenregeling wordt uitgevoerd deel uitmaken van een ander afgescheiden vermogen dan deze basispensioenregeling.
6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het vijfde lid.
7. De voordracht voor een krachtens het zesde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.