BWBR0020360
Geldig vanaf 2007-12-14
Artikel 21
Regeling medebewind Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
1. De productschappen dienen jaarlijks vóór 15 november bij de minister een onderbouwde begroting ter goedkeuring in van de te verrichten werkzaamheden en de daarbij behorende financiële bijdrage voor het daaropvolgende begrotingsjaar.
2. De begroting dient te worden ingedeeld overeenkomstig het begrotingsmodel als bedoeld in artikel 4 van de Verordening financiën bedrijfslichamenvan de Sociaal-Economische Raad 1999 (Vb. Bo. 1998, 26), waarbij voor het medebewind een nadere uitsplitsing per werkzaamheid, welke op basis van deze beschikking voor vergoeding in aanmerking komt, dient te worden gemaakt. De minister stelt vast voor welke in medebewind uitgevoerde werkzaamheden een nadere uitsplitsing dient te worden gemaakt en welke gegevens er met betrekking tot deze werkzaamheden beschikbaar moet worden gesteld.
3. Per werkzaamheid dient het aantal manjaren, alsmede het voor de werkzaamheid benodigde niveau van het betrokken personeel, vermeld te worden.
4. De begroting dient vergezeld te gaan van een naar het oordeel van de minister toereikende toelichting per post waaruit het aantal te verrichten activiteiten, de toegepaste verdeelsleutels, ingevolge artikel 9, alsmede de kosten overeenkomstig de bepalingen van deze beschikking blijken.
5. Tussentijdse bijstellingen dan wel aanvullingen van de begroting, vergezeld van een naar het oordeel van de minister toereikende toelichting, worden overeenkomstig het eerste lid, bij herziene dan wel aanvullende begroting ten spoedigste bij de minister ingediend.
6. Indien bij het onderzoek van de begroting van bezwaren tegen bepaalde daarin opgenomen posten blijkt, welke niet door ambtelijk overleg kunnen worden weggenomen, stelt de minister het productschap daarvan in kennis onder uitnodiging binnen een door hem te bepalen termijn hetzij de ingediende begroting te corrigeren, hetzij nadere toelichting of bewijsstukken te verstrekken.
7. De minister keurt de begroting alsmede een eventuele herziene of aanvullende begroting als bedoeld in het vijfde lid, goed binnen 3 maanden te rekenen vanaf het tijdstip waarop de begroting, de herziene of de aanvullende begroting alsmede alle op grond van dit artikel gevraagde gegevens en bescheiden aan hem zijn overgelegd.
2. De begroting dient te worden ingedeeld overeenkomstig het begrotingsmodel als bedoeld in artikel 4 van de Verordening financiën bedrijfslichamenvan de Sociaal-Economische Raad 1999 (Vb. Bo. 1998, 26), waarbij voor het medebewind een nadere uitsplitsing per werkzaamheid, welke op basis van deze beschikking voor vergoeding in aanmerking komt, dient te worden gemaakt. De minister stelt vast voor welke in medebewind uitgevoerde werkzaamheden een nadere uitsplitsing dient te worden gemaakt en welke gegevens er met betrekking tot deze werkzaamheden beschikbaar moet worden gesteld.
3. Per werkzaamheid dient het aantal manjaren, alsmede het voor de werkzaamheid benodigde niveau van het betrokken personeel, vermeld te worden.
4. De begroting dient vergezeld te gaan van een naar het oordeel van de minister toereikende toelichting per post waaruit het aantal te verrichten activiteiten, de toegepaste verdeelsleutels, ingevolge artikel 9, alsmede de kosten overeenkomstig de bepalingen van deze beschikking blijken.
5. Tussentijdse bijstellingen dan wel aanvullingen van de begroting, vergezeld van een naar het oordeel van de minister toereikende toelichting, worden overeenkomstig het eerste lid, bij herziene dan wel aanvullende begroting ten spoedigste bij de minister ingediend.
6. Indien bij het onderzoek van de begroting van bezwaren tegen bepaalde daarin opgenomen posten blijkt, welke niet door ambtelijk overleg kunnen worden weggenomen, stelt de minister het productschap daarvan in kennis onder uitnodiging binnen een door hem te bepalen termijn hetzij de ingediende begroting te corrigeren, hetzij nadere toelichting of bewijsstukken te verstrekken.
7. De minister keurt de begroting alsmede een eventuele herziene of aanvullende begroting als bedoeld in het vijfde lid, goed binnen 3 maanden te rekenen vanaf het tijdstip waarop de begroting, de herziene of de aanvullende begroting alsmede alle op grond van dit artikel gevraagde gegevens en bescheiden aan hem zijn overgelegd.