BWBR0020360
Geldig vanaf 2007-12-14
Artikel 16
Regeling medebewind Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
1. Voor het gebruik van duurzame bedrijfsmiddelen waarvoor naar het oordeel van de minister bij de aanschaffing geen onmiddellijke volledige afschrijving van de aanschaffingskosten kan worden toegestaan, worden als kosten aangemerkt de onderhoudskosten en een vast jaarlijks bedrag voor rente en afschrijving op basis van de kosten van verwerving of stichting van die middelen. Bij de berekening van de gedurende de afschrijvingsperiode geldende annuïteit zal voor de rente het relevante percentage dat twee keer per jaar door de Minister van Financiën op basis van artikel 3 van de Regeling leen- en depositofaciliteit agentschappen 2003wordt vastgesteld worden aangehouden en zal uitgegaan worden van een gebruiksduur van het duurzame gebruiksmiddel welke de minister na overleg daaromtrent met het productschap vaststelt.
2. Voor de kosten van verwerving of stichting van onroerend goed wordt evenwel:
a. voor het daarin begrepen aandeel van grondaankoop in plaats van de annuïteit een permanente rentevergoeding toegekend volgens het dan geldende percentage zoals vastgesteld door de Minister van Financiën;
b. voor het daarin begrepen aandeel voor vaste installaties op verzoek van het productschap bij de vaststelling van de annuïteit rekening gehouden met een geschatte gebruiksduur van die installaties;
c. voor het overige steeds uitgegaan van een gebruiksduur van veertig jaar.
3. De financiële middelen die bij vervreemding of tenietgaan van een als huisvesting bij een productschap in gebruik zijnd onroerend goed daarvoor in de plaats treden, worden, bij vervreemding na aftrek van de volgens het voorgaande lid niet of nog niet afgeschreven kosten van stichting of verwerving in mindering gebracht op de kosten van stichting of verwerving van de vervangende huisvesting van het productschap. Indien of voor zover het productschap niet tot stichting of verwerving van vervangende huisvesting wenst over te gaan en dit leidt tot hogere, voor de vergoeding in aanmerking komende huisvestingskosten dan voorheen betaald werden, wordt overleg gepleegd met het ministerie over de hoogte van de, gelet op de omstandigheden, redelijkerwijs door te berekenen nieuwe huisvestingskosten. Artikel 12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Voor de kosten van verwerving of stichting van onroerend goed wordt evenwel:
a. voor het daarin begrepen aandeel van grondaankoop in plaats van de annuïteit een permanente rentevergoeding toegekend volgens het dan geldende percentage zoals vastgesteld door de Minister van Financiën;
b. voor het daarin begrepen aandeel voor vaste installaties op verzoek van het productschap bij de vaststelling van de annuïteit rekening gehouden met een geschatte gebruiksduur van die installaties;
c. voor het overige steeds uitgegaan van een gebruiksduur van veertig jaar.
3. De financiële middelen die bij vervreemding of tenietgaan van een als huisvesting bij een productschap in gebruik zijnd onroerend goed daarvoor in de plaats treden, worden, bij vervreemding na aftrek van de volgens het voorgaande lid niet of nog niet afgeschreven kosten van stichting of verwerving in mindering gebracht op de kosten van stichting of verwerving van de vervangende huisvesting van het productschap. Indien of voor zover het productschap niet tot stichting of verwerving van vervangende huisvesting wenst over te gaan en dit leidt tot hogere, voor de vergoeding in aanmerking komende huisvestingskosten dan voorheen betaald werden, wordt overleg gepleegd met het ministerie over de hoogte van de, gelet op de omstandigheden, redelijkerwijs door te berekenen nieuwe huisvestingskosten. Artikel 12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.