BWBR0020052
Geldig vanaf 2006-10-01
Artikel 19
Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen
1. Onze Minister kan degene die een onjuiste melding heeft gedaan of ten onrechte geen melding heeft gedaan in de gelegenheid stellen alsnog een juiste melding te doen.
2. Ter bevordering van de juistheid van het register, kan Onze Minister, onverminderd het derde lid, inlichtingen inwinnen of doen inwinnen bij:
a. de meldingsplichtige, indien Onze Minister het redelijk vermoeden heeft dat deze een onjuiste melding heeft gedaan;
b. effecteninstellingen, effectenbewaarbedrijven en houders van een effectenbeurs als bedoeld in de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
c. de uitgevende instelling die aandelen heeft uitgegeven en waarop het kapitaalbelang of de stemmen van de meldingsplichtige betrekking hebben;
d. de houder van een substantiële deelneming.
3. Indien Onze Minister door toepassing van zijn bevoegdheden als bedoeld in het tweede lid het redelijk vermoeden heeft dat ten onrechte geen melding is gedaan, kan hij inlichtingen inwinnen of doen inwinnen bij degene van wie wordt vermoed dat deze meldingsplichtig is.
4. Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid, worden verlangd, verstrekt deze binnen de door Onze Minister te stellen termijn.
5. Ten aanzien van de personen die ingevolge het tweede en derde lid door Onze Minister zijn belast met het inwinnen of doen inwinnen van inlichtingen zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:16en 5:20 van de Algemene wet bestuursrechtvan overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de personen die ingevolge het tweede lid, onder a en b, en derde lid door Onze Minister zijn belast met het inwinnen of doen inwinnen van inlichtingen is, in aanvulling op de eerste volzin, artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrechtvan overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de personen die ingevolge het tweede lid, onder b, door Onze Minister zijn belast met het inwinnen of doen inwinnen van inlichtingen is, in aanvulling op de eerste en tweede volzin, artikel 5:15 van de Algemene wet bestuursrechtvan overeenkomstige toepassing. Indien een onderzoek als bedoeld in artikel 22, eerste lid, wordt ingesteld, is degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
6. Onze Minister kan de verwerking van een melding in het register voor de duur van het inwinnen of doen inwinnen van inlichtingen als bedoeld in het tweede en derde lid opschorten. Hij stelt de uitgevende instelling en de meldingsplichtige van een opschorting in kennis.
7. De meldingsplichtige verstrekt desgevraagd aan Onze Minister, binnen een door de Minister te stellen termijn, nadere gegevens op grond waarvan de melding is gedaan.
8. Indien een melding naar het oordeel van Onze Minister onjuist is en de melding is niet hersteld, of indien een melding ten onrechte niet is gedaan en de juiste melding blijft achterwege, kan Onze Minister de naar zijn oordeel juiste gegevens in het register opnemen, nadat hij daarvan aan de betrokken uitgevende instelling en de meldingsplichtige mededeling heeft gedaan.
2. Ter bevordering van de juistheid van het register, kan Onze Minister, onverminderd het derde lid, inlichtingen inwinnen of doen inwinnen bij:
a. de meldingsplichtige, indien Onze Minister het redelijk vermoeden heeft dat deze een onjuiste melding heeft gedaan;
b. effecteninstellingen, effectenbewaarbedrijven en houders van een effectenbeurs als bedoeld in de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
c. de uitgevende instelling die aandelen heeft uitgegeven en waarop het kapitaalbelang of de stemmen van de meldingsplichtige betrekking hebben;
d. de houder van een substantiële deelneming.
3. Indien Onze Minister door toepassing van zijn bevoegdheden als bedoeld in het tweede lid het redelijk vermoeden heeft dat ten onrechte geen melding is gedaan, kan hij inlichtingen inwinnen of doen inwinnen bij degene van wie wordt vermoed dat deze meldingsplichtig is.
4. Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid, worden verlangd, verstrekt deze binnen de door Onze Minister te stellen termijn.
5. Ten aanzien van de personen die ingevolge het tweede en derde lid door Onze Minister zijn belast met het inwinnen of doen inwinnen van inlichtingen zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:16en 5:20 van de Algemene wet bestuursrechtvan overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de personen die ingevolge het tweede lid, onder a en b, en derde lid door Onze Minister zijn belast met het inwinnen of doen inwinnen van inlichtingen is, in aanvulling op de eerste volzin, artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrechtvan overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de personen die ingevolge het tweede lid, onder b, door Onze Minister zijn belast met het inwinnen of doen inwinnen van inlichtingen is, in aanvulling op de eerste en tweede volzin, artikel 5:15 van de Algemene wet bestuursrechtvan overeenkomstige toepassing. Indien een onderzoek als bedoeld in artikel 22, eerste lid, wordt ingesteld, is degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
6. Onze Minister kan de verwerking van een melding in het register voor de duur van het inwinnen of doen inwinnen van inlichtingen als bedoeld in het tweede en derde lid opschorten. Hij stelt de uitgevende instelling en de meldingsplichtige van een opschorting in kennis.
7. De meldingsplichtige verstrekt desgevraagd aan Onze Minister, binnen een door de Minister te stellen termijn, nadere gegevens op grond waarvan de melding is gedaan.
8. Indien een melding naar het oordeel van Onze Minister onjuist is en de melding is niet hersteld, of indien een melding ten onrechte niet is gedaan en de juiste melding blijft achterwege, kan Onze Minister de naar zijn oordeel juiste gegevens in het register opnemen, nadat hij daarvan aan de betrokken uitgevende instelling en de meldingsplichtige mededeling heeft gedaan.