BWBR0020052
Geldig vanaf 2006-10-01
Artikel 14
Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen
1. De verplichtingen om te melden op grond van de artikelen 6 tot en met 11zijn, voor zover de aandelen en de daaraan verbonden stemmen in de regelmatige uitoefening van hun bedrijf en gedurende een korte periode worden gehouden, niet van toepassing op:
a. ondernemingen of instellingen die het clearingbedrijf uitoefenen en die geen kredietinstelling zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
b. afwikkelende instanties als bedoeld in artikel 212a, onderdeel f, van de Faillissementswet;
c. nationale centrale banken die onderdeel uitmaken van het Europees Stelsel van Centrale Banken, bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, voorzover de stemmen niet worden uitgebracht.
2. De verplichtingen om te melden op grond van de artikelen 6 tot en met 11zijn, voor zover de aandelen en de daaraan verbonden stemmen worden gehouden in de regelmatige uitoefening van hun bedrijf, niet van toepassing op:
a. bewaarnemers van aandelen, voorzover deze de aan deze aandelen verbonden stemmen niet naar eigen goeddunken kunnen uitbrengen;
b. marketmakers die de beschikking krijgen of verliezen over aandelen en de daaraan verbonden stemmen waardoor, naar zij weten of behoren te weten, het percentage van het kapitaal of de stemmen waarover zij beschikken de drempelwaarde van 5 procent bereikt, overschrijdt of onderschrijdt, voor zover deze geen invloed uitoefenen in het bestuur van de desbetreffende uitgevende instelling en in hun lidstaat van herkomst een vergunning hebben als bedoeld in richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/39/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145).
3. Voor zover de aandelen en de daaraan verbonden stemmen tot de handelsportefeuille behoren en de drempelwaarde van vijf procent niet overschrijden, en indien de stemmen niet worden uitgebracht en niet anderszins invloed wordt uitgeoefend in het bestuur van de desbetreffende uitgevende instellingen, zijn de verplichtingen om te melden op grond van de artikelen 6 tot en met 11, niet van toepassing op:
a. instellingen die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en instellingen die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 38 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 dan wel een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45 van die wet;
b. instellingen die in een andere lidstaat zijn gevestigd en van de toezichthoudende autoriteit van die lidstaat een vergunning hebben verkregen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, eerste volzin, van richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145);
c. kredietinstellingen die in een andere lidstaat zijn gevestigd en van de toezichthoudende autoriteit van die andere lidstaat een vergunning hebben verkregen als bedoeld in artikel 1, onderdeel 2, van richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126);
d. in een andere lidstaat gevestigde financiële instellingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel 5, van richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126).
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste, tweede of derde lid.
5. Indien een in het eerste, tweede of derde lid bedoelde onderneming of instelling op het tijdstip waarop de toepasselijkheid van het eerste, tweede of derde lid eindigt de aandelen nog houdt dan wel de stemmen nog kan uitbrengen, wordt zij geacht op dat tijdstip de beschikking te hebben verkregen over deze aandelen en stemmen.
a. ondernemingen of instellingen die het clearingbedrijf uitoefenen en die geen kredietinstelling zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
b. afwikkelende instanties als bedoeld in artikel 212a, onderdeel f, van de Faillissementswet;
c. nationale centrale banken die onderdeel uitmaken van het Europees Stelsel van Centrale Banken, bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, voorzover de stemmen niet worden uitgebracht.
2. De verplichtingen om te melden op grond van de artikelen 6 tot en met 11zijn, voor zover de aandelen en de daaraan verbonden stemmen worden gehouden in de regelmatige uitoefening van hun bedrijf, niet van toepassing op:
a. bewaarnemers van aandelen, voorzover deze de aan deze aandelen verbonden stemmen niet naar eigen goeddunken kunnen uitbrengen;
b. marketmakers die de beschikking krijgen of verliezen over aandelen en de daaraan verbonden stemmen waardoor, naar zij weten of behoren te weten, het percentage van het kapitaal of de stemmen waarover zij beschikken de drempelwaarde van 5 procent bereikt, overschrijdt of onderschrijdt, voor zover deze geen invloed uitoefenen in het bestuur van de desbetreffende uitgevende instelling en in hun lidstaat van herkomst een vergunning hebben als bedoeld in richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/39/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145).
3. Voor zover de aandelen en de daaraan verbonden stemmen tot de handelsportefeuille behoren en de drempelwaarde van vijf procent niet overschrijden, en indien de stemmen niet worden uitgebracht en niet anderszins invloed wordt uitgeoefend in het bestuur van de desbetreffende uitgevende instellingen, zijn de verplichtingen om te melden op grond van de artikelen 6 tot en met 11, niet van toepassing op:
a. instellingen die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en instellingen die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 38 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 dan wel een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45 van die wet;
b. instellingen die in een andere lidstaat zijn gevestigd en van de toezichthoudende autoriteit van die lidstaat een vergunning hebben verkregen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, eerste volzin, van richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145);
c. kredietinstellingen die in een andere lidstaat zijn gevestigd en van de toezichthoudende autoriteit van die andere lidstaat een vergunning hebben verkregen als bedoeld in artikel 1, onderdeel 2, van richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126);
d. in een andere lidstaat gevestigde financiële instellingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel 5, van richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126).
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste, tweede of derde lid.
5. Indien een in het eerste, tweede of derde lid bedoelde onderneming of instelling op het tijdstip waarop de toepasselijkheid van het eerste, tweede of derde lid eindigt de aandelen nog houdt dan wel de stemmen nog kan uitbrengen, wordt zij geacht op dat tijdstip de beschikking te hebben verkregen over deze aandelen en stemmen.