BWBR0019131
Geldig vanaf 2013-12-02
Artikel 34
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
1. De minister stelt een commissie in die advies uitbrengt over de onderdelen van het investeringsplan en over de rangschikking van de aanvragen voor steunverlening.
2. De minister rangschikt aanvragen tot steun als bedoeld in artikel 29, eerste lid, die in de periode 1 maart 2014 tot en met 31 maart 2014 zijn ingediend in de navolgende volgorde van categorieën:
a. aanvragen, afkomstig van houders van pluimvee die investeringen verrichten als bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel e, voor dieren van de soort Gallus gallus die worden gehouden ten behoeve van de productie van vlees;
b. overige aanvragen.
3. Indien het totaalbedrag van de ingediende aanvragen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, hoger is dan het beschikbare budget, worden binnen desbetreffende categorie aanvragen gerangschikt volgens het vijfde lid.
4. Indien het totaalbedrag van de ingediende aanvragen hoger is dan het beschikbare budget en nadat voor de aanvragen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, een beschikking omtrent steunverlening als bedoeld in artikel 29, eerste lid, is afgegeven, worden binnen de categorie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aanvragen gerangschikt volgens het vijfde lid.
5. Voor de toepassing van het derde en vierde lid wordt een aanvraag hoger gerangschikt naarmate:
a. de integraal duurzame stal of houderijsysteem waarin de landbouwer investeert in de beginfase van marktintroductie verkeert;
b. de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem meer economisch of technisch perspectief heeft;
c. er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde steunbedrag en de verbetering van het dierenwelzijn;
d. er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde steunbedrag en de verbetering van het milieu, diergezondheid, arbeidsomstandigheden of landschappelijke inpasbaarheid, en
e. de landbouwer al dan niet in het bezit is van de in voorkomend geval noodzakelijke vergunningen voor de uitvoering van het investeringsplan dan wel deze vergunningen heeft aangevraagd op het moment van de aanvraag tot steunverlening.
6. De minister beslist binnen vier maanden na de uiterste datum waarop aanvragen tot steunverlening als bedoeld in artikel 30, eerste lid, kunnen worden ingediend.
7. De beschikking tot steunverlening bevat de volgende onderdelen:
a. het goedgekeurde investeringsplan, inclusief de essentiële onderdelen daarin;
b. de termijnen voor realisatie van onderdelen van het investeringsplan;
c. de ten hoogste te verstrekken steun.
2. De minister rangschikt aanvragen tot steun als bedoeld in artikel 29, eerste lid, die in de periode 1 maart 2014 tot en met 31 maart 2014 zijn ingediend in de navolgende volgorde van categorieën:
a. aanvragen, afkomstig van houders van pluimvee die investeringen verrichten als bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel e, voor dieren van de soort Gallus gallus die worden gehouden ten behoeve van de productie van vlees;
b. overige aanvragen.
3. Indien het totaalbedrag van de ingediende aanvragen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, hoger is dan het beschikbare budget, worden binnen desbetreffende categorie aanvragen gerangschikt volgens het vijfde lid.
4. Indien het totaalbedrag van de ingediende aanvragen hoger is dan het beschikbare budget en nadat voor de aanvragen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, een beschikking omtrent steunverlening als bedoeld in artikel 29, eerste lid, is afgegeven, worden binnen de categorie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aanvragen gerangschikt volgens het vijfde lid.
5. Voor de toepassing van het derde en vierde lid wordt een aanvraag hoger gerangschikt naarmate:
a. de integraal duurzame stal of houderijsysteem waarin de landbouwer investeert in de beginfase van marktintroductie verkeert;
b. de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem meer economisch of technisch perspectief heeft;
c. er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde steunbedrag en de verbetering van het dierenwelzijn;
d. er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde steunbedrag en de verbetering van het milieu, diergezondheid, arbeidsomstandigheden of landschappelijke inpasbaarheid, en
e. de landbouwer al dan niet in het bezit is van de in voorkomend geval noodzakelijke vergunningen voor de uitvoering van het investeringsplan dan wel deze vergunningen heeft aangevraagd op het moment van de aanvraag tot steunverlening.
6. De minister beslist binnen vier maanden na de uiterste datum waarop aanvragen tot steunverlening als bedoeld in artikel 30, eerste lid, kunnen worden ingediend.
7. De beschikking tot steunverlening bevat de volgende onderdelen:
a. het goedgekeurde investeringsplan, inclusief de essentiële onderdelen daarin;
b. de termijnen voor realisatie van onderdelen van het investeringsplan;
c. de ten hoogste te verstrekken steun.