BWBR0019131
Geldig vanaf 2013-12-02
Artikel 17
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
1. De toewijzing van toeslagrechten op grond van artikel 16, eerste lid, geschiedt aan de hand van de volgende berekening:
a. er worden vier diercategorieën en daarmee corresponderende vermenigvuldigingsfactoren vastgesteld, respectievelijk: i. vleeskalveren voor witvlees en rosévlees, jonger dan 8 maanden, met vermenigvuldigingsfactor 1,9,
ii. vleeskalveren voor rosévlees, 8 maanden of ouder, met vermenigvuldigingsfactor 1,4,
iii. vleesstieren, met vermenigvuldigingsfactor 1,0, en
iv. overige volwassen runderen, met vermenigvuldigingsfactor 0,3,
i. vleeskalveren voor witvlees en rosévlees, jonger dan 8 maanden, met vermenigvuldigingsfactor 1,9,
ii. vleeskalveren voor rosévlees, 8 maanden of ouder, met vermenigvuldigingsfactor 1,4,
iii. vleesstieren, met vermenigvuldigingsfactor 1,0, en
iv. overige volwassen runderen, met vermenigvuldigingsfactor 0,3,
b. de vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in onderdeel a, onderdeel i, wordt vermenigvuldigd met het aantal dieren dat binnen de totale stalcapaciteit kan worden gehouden en vervolgens vermenigvuldigd met het bedrag dat overeenstemt met het op grond van artikel 10 berekende bedrag voor vleeskalveren.
c. de vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in onderdeel a, onderdelen ii, iii en iv, wordt vermenigvuldigd met het aantal dieren dat binnen de totale stalcapaciteit kan worden gehouden en vervolgens vermenigvuldigd met het bedrag dat overeenstemt met het op grond van artikel 10 berekende bedrag voor volwassen runderen.
2. Het op grond van het eerste lid berekende bedrag wordt met 0,90 vermenigvuldigd, vervolgens verminderd met het door de landbouwer ontvangen bedrag op grond van artikel 10voor volwassen runderen of kalveren, daarna verminderd met € 500 en verder evenredig verlaagd indien het totaal van de voor tegemoetkoming in aanmerking te nemen aanvragen het bedrag van € 8.500.000 overstijgt.
3. Indien het op grond van het eerste en tweede lid berekende bedrag, met uitzondering van het door de landbouwer ontvangen bedrag op grond van artikel 10voor volwassen runderen of kalveren, toegepast op het extra aantal dieren dat door de investering in stalcapaciteit kan worden gehouden, lager is dan het op grond van het eerste en tweede lid berekende bedrag, geldt het lagere bedrag voor de toewijzing op grond van artikel 16, eerste lid.
a. er worden vier diercategorieën en daarmee corresponderende vermenigvuldigingsfactoren vastgesteld, respectievelijk: i. vleeskalveren voor witvlees en rosévlees, jonger dan 8 maanden, met vermenigvuldigingsfactor 1,9,
ii. vleeskalveren voor rosévlees, 8 maanden of ouder, met vermenigvuldigingsfactor 1,4,
iii. vleesstieren, met vermenigvuldigingsfactor 1,0, en
iv. overige volwassen runderen, met vermenigvuldigingsfactor 0,3,
i. vleeskalveren voor witvlees en rosévlees, jonger dan 8 maanden, met vermenigvuldigingsfactor 1,9,
ii. vleeskalveren voor rosévlees, 8 maanden of ouder, met vermenigvuldigingsfactor 1,4,
iii. vleesstieren, met vermenigvuldigingsfactor 1,0, en
iv. overige volwassen runderen, met vermenigvuldigingsfactor 0,3,
b. de vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in onderdeel a, onderdeel i, wordt vermenigvuldigd met het aantal dieren dat binnen de totale stalcapaciteit kan worden gehouden en vervolgens vermenigvuldigd met het bedrag dat overeenstemt met het op grond van artikel 10 berekende bedrag voor vleeskalveren.
c. de vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in onderdeel a, onderdelen ii, iii en iv, wordt vermenigvuldigd met het aantal dieren dat binnen de totale stalcapaciteit kan worden gehouden en vervolgens vermenigvuldigd met het bedrag dat overeenstemt met het op grond van artikel 10 berekende bedrag voor volwassen runderen.
2. Het op grond van het eerste lid berekende bedrag wordt met 0,90 vermenigvuldigd, vervolgens verminderd met het door de landbouwer ontvangen bedrag op grond van artikel 10voor volwassen runderen of kalveren, daarna verminderd met € 500 en verder evenredig verlaagd indien het totaal van de voor tegemoetkoming in aanmerking te nemen aanvragen het bedrag van € 8.500.000 overstijgt.
3. Indien het op grond van het eerste en tweede lid berekende bedrag, met uitzondering van het door de landbouwer ontvangen bedrag op grond van artikel 10voor volwassen runderen of kalveren, toegepast op het extra aantal dieren dat door de investering in stalcapaciteit kan worden gehouden, lager is dan het op grond van het eerste en tweede lid berekende bedrag, geldt het lagere bedrag voor de toewijzing op grond van artikel 16, eerste lid.