BWBR0018590
Geldig vanaf 2005-08-05
Artikel 4
Meetregeling luchtkwaliteit 2005
1. De agglomeratie Amsterdam/Haarlem bevat ten minste:
a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;
b. vier vaste meetpunten voor stikstofdioxide;
c. vier vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);
d. vijf vaste meetpunten voor koolmonoxide;
e. vijf vaste meetpunten voor benzeen.
2. De agglomeratie Den Haag/Leiden bevat ten minste:
a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;
b. vier vaste meetpunten voor stikstofdioxide;
c. vier vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);
d. twee vaste meetpunten voor koolmonoxide;
e. twee vaste meetpunten voor benzeen.
3. De agglomeratie Rotterdam/Dordrecht bevat ten minste:
a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;
b. vier vaste meetpunten voor stikstofdioxide;
c. vier vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);
d. één vast meetpunt voor lood;
e. twee vaste meetpunten voor koolmonoxide;
f. twee vaste meetpunten voor benzeen.
4. De agglomeratie Utrecht bevat ten minste:
a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;
b. twee vaste meetpunten voor stikstofdioxide;
c. twee vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);
d. één vast meetpunt voor koolmonoxide;
e. één vast meetpunt voor benzeen.
5. De agglomeratie Eindhoven bevat ten minste:
a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;
b. twee vaste meetpunten voor stikstofdioxide;
c. twee vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);
d. één vast meetpunt voor koolmonoxide;
e. één vast meetpunt voor benzeen.
6. De agglomeratie Heerlen/Kerkrade bevat ten minste:
a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;
b. twee vaste meetpunten voor stikstofdioxide;
c. twee vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);
d. één vast meetpunt voor koolmonoxide;
e. één vast meetpunt voor benzeen.
a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;
b. vier vaste meetpunten voor stikstofdioxide;
c. vier vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);
d. vijf vaste meetpunten voor koolmonoxide;
e. vijf vaste meetpunten voor benzeen.
2. De agglomeratie Den Haag/Leiden bevat ten minste:
a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;
b. vier vaste meetpunten voor stikstofdioxide;
c. vier vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);
d. twee vaste meetpunten voor koolmonoxide;
e. twee vaste meetpunten voor benzeen.
3. De agglomeratie Rotterdam/Dordrecht bevat ten minste:
a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;
b. vier vaste meetpunten voor stikstofdioxide;
c. vier vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);
d. één vast meetpunt voor lood;
e. twee vaste meetpunten voor koolmonoxide;
f. twee vaste meetpunten voor benzeen.
4. De agglomeratie Utrecht bevat ten minste:
a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;
b. twee vaste meetpunten voor stikstofdioxide;
c. twee vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);
d. één vast meetpunt voor koolmonoxide;
e. één vast meetpunt voor benzeen.
5. De agglomeratie Eindhoven bevat ten minste:
a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;
b. twee vaste meetpunten voor stikstofdioxide;
c. twee vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);
d. één vast meetpunt voor koolmonoxide;
e. één vast meetpunt voor benzeen.
6. De agglomeratie Heerlen/Kerkrade bevat ten minste:
a. twee vaste meetpunten voor zwaveldioxide;
b. twee vaste meetpunten voor stikstofdioxide;
c. twee vaste meetpunten voor zwevende deeltjes (PM10);
d. één vast meetpunt voor koolmonoxide;
e. één vast meetpunt voor benzeen.