BWBR0017558
Geldig vanaf 2005-01-01
Artikel 65
Regeling GLB-inkomenssteun
1. Landbouwers die in 2005 voor het eerst een premieaanvraag voor ooien of zoogkoeien indienen, komen in aanmerking voor toekenning van specifieke premierechten indien zij ten genoegen van de minister aantonen:
a. dat zij tussen het begin van de aanvraagperiode voor specifieke rechten van het kalenderjaar 2004 en de eerste dag van de aanvraagperiode voor specifieke rechten in het betrokken kalenderjaar ten behoeve van de schapenhouderij, respectievelijk de zoogkoeienhouderij, een investeringsverplichting zijn aangegaan van minimaal € 11.344,51 voor de uitbreiding van de stalling en van de stalinrichting van ooien, respectievelijk zoogkoeien,
b. dat deze verplichting schriftelijk is vastgesteld en onomkeerbaar is, en
c. dat met die investering een bedrijf van tenminste 60 nge’s is ontstaan.
2. De toekenning, als bedoeld in het eerste lid, geschiedt op basis van de volgende formule: het bedrag van de investeringsverplichting gedeeld door 227, indien het ooien betreft en gedeeld door 1135 indien het zoogkoeien betreft, met dien verstande dat het aantal toe te kennen premierechten het aantal ooien, respectievelijk zoogkoeien, waarvoor de investering is verricht niet te boven mag gaan.
a. dat zij tussen het begin van de aanvraagperiode voor specifieke rechten van het kalenderjaar 2004 en de eerste dag van de aanvraagperiode voor specifieke rechten in het betrokken kalenderjaar ten behoeve van de schapenhouderij, respectievelijk de zoogkoeienhouderij, een investeringsverplichting zijn aangegaan van minimaal € 11.344,51 voor de uitbreiding van de stalling en van de stalinrichting van ooien, respectievelijk zoogkoeien,
b. dat deze verplichting schriftelijk is vastgesteld en onomkeerbaar is, en
c. dat met die investering een bedrijf van tenminste 60 nge’s is ontstaan.
2. De toekenning, als bedoeld in het eerste lid, geschiedt op basis van de volgende formule: het bedrag van de investeringsverplichting gedeeld door 227, indien het ooien betreft en gedeeld door 1135 indien het zoogkoeien betreft, met dien verstande dat het aantal toe te kennen premierechten het aantal ooien, respectievelijk zoogkoeien, waarvoor de investering is verricht niet te boven mag gaan.