BWBR0017461
Geldig vanaf 2009-10-16
Artikel 10
Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
1. Personen als bedoeld in artikel 1.50, derde lid, van de wetzijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële documentatie of afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedragof afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, voor zover zij als houder, als bestuurder of als werknemer werkzaam krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, werkzaam zijn.
2. Voor een werknemer geldt het eerste lid, voor zover deze persoon bij een kindercentrum werkzaam is.
3. Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, geldt de verplichting van artikel 50, vierde lid, van de wetde eerste maal voordat deze persoon zijn werkzaamheden bij een kindercentrum aanvangt.
4. Stagiaires die langer dan drie maanden worden ingezet bij een kindercentrum, zijn in het bezit van een verklaring als bedoeld in het eerste lid of voor hen is bij aanvang van de stageperiode een dergelijke verklaring aangevraagd.
2. Voor een werknemer geldt het eerste lid, voor zover deze persoon bij een kindercentrum werkzaam is.
3. Voor een werknemer die als uitzendkracht werkzaam is, geldt de verplichting van artikel 50, vierde lid, van de wetde eerste maal voordat deze persoon zijn werkzaamheden bij een kindercentrum aanvangt.
4. Stagiaires die langer dan drie maanden worden ingezet bij een kindercentrum, zijn in het bezit van een verklaring als bedoeld in het eerste lid of voor hen is bij aanvang van de stageperiode een dergelijke verklaring aangevraagd.