BWBR0017461
Geldig vanaf 2009-10-16
Artikel 16
Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
1. Ter uitvoering van de artikelen 2.5, 2.6en 2.9 van de wetbeschikt een houder van een peuterspeelzaal over een pedagogisch beleidsplan waarin de voor die peuterspeelzaal kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.
2. Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van:
a. de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke en sociale competentie en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt;
b. de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de peuterspeelzaalgroep;
c. de (spel)activiteiten waarbij kinderen hun peuterspeelzaalgroep danwel de peuterspeelzaalgroepsruimte verlaten;
d. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal bij hun werkzaamheden met kinderen worden ondersteund door andere niet structureel ingezette personen;
e. de wijze waarop de achterwacht geregeld is in het geval er slechts één beroepskracht in een peuterspeelzaal aanwezig is op de locatie;
f. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal bijzonderheden in de ontwikkeling van kinderen of andere problemen signaleren en ouders doorverwijzen naar passende instanties die hierbij verdere ondersteuning kunnen bieden, en
g. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal worden toegerust voor deze taak en op welke wijze zij daarbij worden ondersteund.
3. De houder van een peuterspeelzaal en de personen werkzaam bij een peuterspeelzaal handelen in de praktijk van de opvang naar het pedagogisch beleidsplan.
4. Een pedagogisch beleidsplan wordt voor de eerste maal vastgesteld binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet.
2. Een pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van:
a. de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke en sociale competentie en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt;
b. de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de peuterspeelzaalgroep;
c. de (spel)activiteiten waarbij kinderen hun peuterspeelzaalgroep danwel de peuterspeelzaalgroepsruimte verlaten;
d. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal bij hun werkzaamheden met kinderen worden ondersteund door andere niet structureel ingezette personen;
e. de wijze waarop de achterwacht geregeld is in het geval er slechts één beroepskracht in een peuterspeelzaal aanwezig is op de locatie;
f. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal bijzonderheden in de ontwikkeling van kinderen of andere problemen signaleren en ouders doorverwijzen naar passende instanties die hierbij verdere ondersteuning kunnen bieden, en
g. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal worden toegerust voor deze taak en op welke wijze zij daarbij worden ondersteund.
3. De houder van een peuterspeelzaal en de personen werkzaam bij een peuterspeelzaal handelen in de praktijk van de opvang naar het pedagogisch beleidsplan.
4. Een pedagogisch beleidsplan wordt voor de eerste maal vastgesteld binnen zes maanden na de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet.