BWBR0017175
Geldig vanaf 2004-09-18
Artikel 27
Aanvullend luchthavenreglement Midden Zeeland
1. Zweefvliegactiviteiten vinden plaats na toestemming van de havenmeester.
2. Voor aanvang van de zweefvliegactiviteiten wordt de markering ter onderscheid van de zweefvliegbaan en de motorvliegbaan in overeenstemming met de vigerende voorschriften geplaatst.
3. De opstelplaats en de startbaan van het zweefvliegbedrijf worden uitsluitend bereikt langs de uiterste grens van het landingsterrein.
4. Ten behoeve van de zweefvliegactiviteiten zijn maximaal twee voertuigen toegestaan in het landingsterrein.
5. Met betrekking tot het rollend materieel kan de havenmeester bij aanvang of beëindiging van de zweefvliegactiviteiten toestemming verlenen een afwijkende route te volgen.
6. De start- of landingsplaats bevindt zich op tenminste 50 meter afstand van de opstelplaats van zweefvliegtuigen.
7. Indien tijdens de zweefvliegactiviteiten, luchtvaartuigen laten blijken te willen starten of landen, zorgt de havenmeester ervoor dat gedurende deze tijd geen sleep/zweefcombinatie zal starten.
8. Het afwerpen van een sleepkabel geschiedt op een zodanige plaats dat de vlieger van het sleepvliegtuig te allen tijde in de gelegenheid is het vliegverkeer in het circuit en de plaats waar de kabel moet worden afgeworpen volkomen te overzien.
9. Direct na beëindiging van de zweefvliegactiviteiten wordt het vliegend en ander materieel uit het landingsterrein verwijderd en worden verplaatste markeringen terug geplaatst volgens de vigerende voorschriften.
10. Alle gevallen en voorvallen die buiten de normale routine vallen worden onverwijld gemeld aan de havenmeester.
11. Indien de omstandigheden daartoe nopen kan door of namens de havenmeester de zweefvliegactiviteit worden onderbroken of stopgezet.
2. Voor aanvang van de zweefvliegactiviteiten wordt de markering ter onderscheid van de zweefvliegbaan en de motorvliegbaan in overeenstemming met de vigerende voorschriften geplaatst.
3. De opstelplaats en de startbaan van het zweefvliegbedrijf worden uitsluitend bereikt langs de uiterste grens van het landingsterrein.
4. Ten behoeve van de zweefvliegactiviteiten zijn maximaal twee voertuigen toegestaan in het landingsterrein.
5. Met betrekking tot het rollend materieel kan de havenmeester bij aanvang of beëindiging van de zweefvliegactiviteiten toestemming verlenen een afwijkende route te volgen.
6. De start- of landingsplaats bevindt zich op tenminste 50 meter afstand van de opstelplaats van zweefvliegtuigen.
7. Indien tijdens de zweefvliegactiviteiten, luchtvaartuigen laten blijken te willen starten of landen, zorgt de havenmeester ervoor dat gedurende deze tijd geen sleep/zweefcombinatie zal starten.
8. Het afwerpen van een sleepkabel geschiedt op een zodanige plaats dat de vlieger van het sleepvliegtuig te allen tijde in de gelegenheid is het vliegverkeer in het circuit en de plaats waar de kabel moet worden afgeworpen volkomen te overzien.
9. Direct na beëindiging van de zweefvliegactiviteiten wordt het vliegend en ander materieel uit het landingsterrein verwijderd en worden verplaatste markeringen terug geplaatst volgens de vigerende voorschriften.
10. Alle gevallen en voorvallen die buiten de normale routine vallen worden onverwijld gemeld aan de havenmeester.
11. Indien de omstandigheden daartoe nopen kan door of namens de havenmeester de zweefvliegactiviteit worden onderbroken of stopgezet.