BWBR0013683
Geldig vanaf 2002-05-18
Artikel 4
Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies
1. Gedeputeerde Staten beoordelen de subsidieaanvragen ten behoeve van het advies, bedoeld in artikel 2, aan de hand van de volgende criteria:
a. de verenigbaarheid van de subsidieaanvraag met verordening (EG) nr. 1257/1999 en verordening (EG) nr. 445/2002;
b. de verenigbaarheid van de subsidieaanvraag met het plattelandsontwikkelingsprogramma, het provinciaal programma, deze regeling en het in artikel 3, derde lid, bedoelde besluit;
c. de mate waarin het project waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, bijdraagt aan de verwezenlijking van het plattelandsontwikkelingsprogramma, het provinciaal programma en voldoet aan de in artikel 3, vierde lid, genoemde beoordelingscriteria.
2. Gedeputeerde Staten kunnen de minister adviseren een aanvraag tot subsidieverlening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.
3. Gedeputeerde Staten brengen, na beoordeling van de subsidieaanvragen, een advies uit aan de minister in de vorm van een rangschikking van de aanvragen tot subsidieverlening waarover Gedeputeerde Staten ingevolge het tweede lid niet afwijzend adviseren, waarbij aanvragen tot subsidieverlening hoger worden gerangschikt naarmate ze naar het oordeel van de Gedeputeerde Staten meer voldoen aan de beoordelingscriteria, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.
a. de verenigbaarheid van de subsidieaanvraag met verordening (EG) nr. 1257/1999 en verordening (EG) nr. 445/2002;
b. de verenigbaarheid van de subsidieaanvraag met het plattelandsontwikkelingsprogramma, het provinciaal programma, deze regeling en het in artikel 3, derde lid, bedoelde besluit;
c. de mate waarin het project waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, bijdraagt aan de verwezenlijking van het plattelandsontwikkelingsprogramma, het provinciaal programma en voldoet aan de in artikel 3, vierde lid, genoemde beoordelingscriteria.
2. Gedeputeerde Staten kunnen de minister adviseren een aanvraag tot subsidieverlening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.
3. Gedeputeerde Staten brengen, na beoordeling van de subsidieaanvragen, een advies uit aan de minister in de vorm van een rangschikking van de aanvragen tot subsidieverlening waarover Gedeputeerde Staten ingevolge het tweede lid niet afwijzend adviseren, waarbij aanvragen tot subsidieverlening hoger worden gerangschikt naarmate ze naar het oordeel van de Gedeputeerde Staten meer voldoen aan de beoordelingscriteria, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.