BWBR0013636
Geldig vanaf 2002-04-28
Artikel 7
Onderzoekingsregulatief 2002
1. De kook- en braadproef tot onderzoek op afwijkende smaak of geur van vlees wordt verricht in alle gevallen, waarin:
a. bij de keuring na het slachten een afwijkende geur van het vlees werd waargenomen;
b. aan de hand van bij de keuring vóór en na het slachten gedane waarnemingen afwijkende smaak of geur van het vlees niet kan worden uitgesloten.
2. De kookproef wordt uitgevoerd door enige stukjes spierweefsel juist ondergedompeld in water gedurende enkele minuten te koken in een met een deksel afgesloten zindelijke pan; na afnemen van het deksel wordt nagegaan, of een abnormale geur ontwijkt, waarna het vlees, na te zijn doorgesneden warm wordt geroken of geproefd. De braadproef wordt uitgevoerd door enkele andere stukjes spierweefsel met enig vet van hetzelfde slachtdier te braden en vervolgens op overeenkomstige wijze te beoordelen. Als spierweefsel voor zowel de kookproef, als de braadproef dient bij varkens de musculatuur van de nek en bij runderen, eenhoevige dieren, schapen en geiten de musculatuur van het achterbeen ter hoogte van symphysis pelvis te worden gebruikt. Als vet dient, indien enigszins mogelijk, subcutaan of intermusculair vetweefsel te worden gebruikt.
3. Bij het vaststellen van geslachtsgeur bij mannelijke varkens kan een voorselectie worden toegepast volgens een door de veterinair hoofdinspecteur van de Keuringsdienst van Waren aangegeven methode. Indien daarbij onvoldoende kan worden vastgesteld of er sprake is van een geslachtsgeur of indien daarbij een geslachtsgeur is vastgesteld, wordt de kook- en braadproef verricht.
4. In plaats van een kook- en braadproef, zoals in het tweede lid is omschreven, kan ook een verhittingsproef door middel van een magnetronische oven worden ingesteld.
5. De kook- en braadproef wordt bij voorkeur verricht tenminste 12 uren na de dood van het slachtdier, doch, indien tevens een bacteriologisch onderzoek is ingesteld, niet uitgevoerd alvorens het vlees onschadelijk is gebleken.
a. bij de keuring na het slachten een afwijkende geur van het vlees werd waargenomen;
b. aan de hand van bij de keuring vóór en na het slachten gedane waarnemingen afwijkende smaak of geur van het vlees niet kan worden uitgesloten.
2. De kookproef wordt uitgevoerd door enige stukjes spierweefsel juist ondergedompeld in water gedurende enkele minuten te koken in een met een deksel afgesloten zindelijke pan; na afnemen van het deksel wordt nagegaan, of een abnormale geur ontwijkt, waarna het vlees, na te zijn doorgesneden warm wordt geroken of geproefd. De braadproef wordt uitgevoerd door enkele andere stukjes spierweefsel met enig vet van hetzelfde slachtdier te braden en vervolgens op overeenkomstige wijze te beoordelen. Als spierweefsel voor zowel de kookproef, als de braadproef dient bij varkens de musculatuur van de nek en bij runderen, eenhoevige dieren, schapen en geiten de musculatuur van het achterbeen ter hoogte van symphysis pelvis te worden gebruikt. Als vet dient, indien enigszins mogelijk, subcutaan of intermusculair vetweefsel te worden gebruikt.
3. Bij het vaststellen van geslachtsgeur bij mannelijke varkens kan een voorselectie worden toegepast volgens een door de veterinair hoofdinspecteur van de Keuringsdienst van Waren aangegeven methode. Indien daarbij onvoldoende kan worden vastgesteld of er sprake is van een geslachtsgeur of indien daarbij een geslachtsgeur is vastgesteld, wordt de kook- en braadproef verricht.
4. In plaats van een kook- en braadproef, zoals in het tweede lid is omschreven, kan ook een verhittingsproef door middel van een magnetronische oven worden ingesteld.
5. De kook- en braadproef wordt bij voorkeur verricht tenminste 12 uren na de dood van het slachtdier, doch, indien tevens een bacteriologisch onderzoek is ingesteld, niet uitgevoerd alvorens het vlees onschadelijk is gebleken.