BWBR0013636
Geldig vanaf 2002-04-28
Artikel 2
Onderzoekingsregulatief 2002
1. Een onderzoek naar stoffen waarvan de toediening bij of krachtens een wettelijk voorschrift is verboden, vindt plaats indien al dan niet op grond van bij de keuring voor het slachten verkregen aanwijzingen reden bestaat om aan te nemen dat dergelijke stoffen zijn toegediend.
2. Een onderzoek naar stoffen waarvan de aanwezigheid een bij of krachtens wettelijk voorschrift vastgestelde hoeveelheid overschrijdt, vindt plaats indien al dan niet op grond van bij de keuring voor het slachten verkregen aanwijzingen reden bestaat om aan te nemen dat dergelijke stoffen in niet toegestane hoeveelheden aanwezig zijn.
3. Een gericht onderzoek vindt plaats naar stoffen die deel uitmaken van het Nationale Plan Residuen zoals voorgeschreven door richtlijn nr. 96/23/EGvan de Raad van de Europese Unie van 29 april 1996 (PbEG L 125) inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en produkten daarvan en tot intrekking van de richtlijnen nr. 85/358/EEGen nr. 86/469/EEGen de beschikkingen nr. 89/187/EEGen nr. 91/664/EEG.
4. Het in het derde lid bedoelde onderzoek wordt tenminste uitgevoerd naar de stoffen en met de frequentie zoals aangegeven in bijlagen I, II, III en IV van richtlijn nr. 96/23/EGvan de Raad van de Europese Unie van 29 april 1996 (PbEG L 125) inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en produkten daarvan en tot intrekking van de richtlijnen nr. 85/358/EEGen nr. 86/469/EEGen de beschikkingen nr. 89/187/EEGen nr. 91/664/EEG.
5. Het in het eerste, tweede en derde lid, bedoelde onderzoek geschiedt door het Centraal Laboratorium RVV of door het Rijks-Kwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwprodukten met methoden die voldoende gevoelig, nauwkeurig en specifiek zijn en bovendien reproduceerbare resultaten geven. Deze methoden voldoen ten minste aan de voorschriften van beschikking nr. 2002/657/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 augustus 2002 ter uitvoering van richtlijn nr. 96/23/EGvan de Raad van de Europese Unie wat de prestaties van analysemethoden en de interpretatie van resultaten betreft (PbEG L 221), alsmede aan de voorschriften van beschikking nr. 2003/181/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 maart 2003 tot wijziging van beschikking nr. 2002/657/EG wat betreft de vaststelling van minimaal vereiste prestatielimieten (MRPL's) voor bepaalde residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEG L 71).
6. Het histologische gedeelte van het onderzoek naar het gebruik van stoffen met hormonale dan wel anti-hormonale werking geschiedt in een door de veterinair hoofdinspecteur van de Keuringsdienst van Waren aangewezen laboratorium. Zonodig geschiedt verder onderzoek door het Centraal Laboratorium RVV.
Voor zover histologisch onderzoek niet kan worden toegepast, geschiedt het onderzoek door het Centraal Laboratorium RVV. Indien herkeuring wordt gevorderd vindt het chemisch onderzoek opnieuw plaats maar dan door het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu dan wel voorzover belanghebbende zelf een herkeuringsdierenarts heeft aangewezen, naast deze door het Rijks-Kwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwprodukten.
7. Indien herkeuring wordt gevorderd vindt het in het eerste, tweede en derde lid, bedoelde onderzoek opnieuw plaats, maar dan door het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu dan wel voorzover belanghebbende zelf een herkeuringsdierenarts heeft aangewezen, naast deze door het Rijks-Kwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwprodukten.
2. Een onderzoek naar stoffen waarvan de aanwezigheid een bij of krachtens wettelijk voorschrift vastgestelde hoeveelheid overschrijdt, vindt plaats indien al dan niet op grond van bij de keuring voor het slachten verkregen aanwijzingen reden bestaat om aan te nemen dat dergelijke stoffen in niet toegestane hoeveelheden aanwezig zijn.
3. Een gericht onderzoek vindt plaats naar stoffen die deel uitmaken van het Nationale Plan Residuen zoals voorgeschreven door richtlijn nr. 96/23/EGvan de Raad van de Europese Unie van 29 april 1996 (PbEG L 125) inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en produkten daarvan en tot intrekking van de richtlijnen nr. 85/358/EEGen nr. 86/469/EEGen de beschikkingen nr. 89/187/EEGen nr. 91/664/EEG.
4. Het in het derde lid bedoelde onderzoek wordt tenminste uitgevoerd naar de stoffen en met de frequentie zoals aangegeven in bijlagen I, II, III en IV van richtlijn nr. 96/23/EGvan de Raad van de Europese Unie van 29 april 1996 (PbEG L 125) inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en produkten daarvan en tot intrekking van de richtlijnen nr. 85/358/EEGen nr. 86/469/EEGen de beschikkingen nr. 89/187/EEGen nr. 91/664/EEG.
5. Het in het eerste, tweede en derde lid, bedoelde onderzoek geschiedt door het Centraal Laboratorium RVV of door het Rijks-Kwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwprodukten met methoden die voldoende gevoelig, nauwkeurig en specifiek zijn en bovendien reproduceerbare resultaten geven. Deze methoden voldoen ten minste aan de voorschriften van beschikking nr. 2002/657/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 augustus 2002 ter uitvoering van richtlijn nr. 96/23/EGvan de Raad van de Europese Unie wat de prestaties van analysemethoden en de interpretatie van resultaten betreft (PbEG L 221), alsmede aan de voorschriften van beschikking nr. 2003/181/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 maart 2003 tot wijziging van beschikking nr. 2002/657/EG wat betreft de vaststelling van minimaal vereiste prestatielimieten (MRPL's) voor bepaalde residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEG L 71).
6. Het histologische gedeelte van het onderzoek naar het gebruik van stoffen met hormonale dan wel anti-hormonale werking geschiedt in een door de veterinair hoofdinspecteur van de Keuringsdienst van Waren aangewezen laboratorium. Zonodig geschiedt verder onderzoek door het Centraal Laboratorium RVV.
Voor zover histologisch onderzoek niet kan worden toegepast, geschiedt het onderzoek door het Centraal Laboratorium RVV. Indien herkeuring wordt gevorderd vindt het chemisch onderzoek opnieuw plaats maar dan door het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu dan wel voorzover belanghebbende zelf een herkeuringsdierenarts heeft aangewezen, naast deze door het Rijks-Kwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwprodukten.
7. Indien herkeuring wordt gevorderd vindt het in het eerste, tweede en derde lid, bedoelde onderzoek opnieuw plaats, maar dan door het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu dan wel voorzover belanghebbende zelf een herkeuringsdierenarts heeft aangewezen, naast deze door het Rijks-Kwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwprodukten.